Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor het bezit van een vuurwapen. De verdachte stelde dat zijn verklaringen uitgesloten moesten worden vanwege het verzuim van de opsporingsambtenaren om hem voorafgaand aan het verhoor de cautie te geven, zoals vereist volgens art. 29 lid 2 Sv Pro en art. 359a Sv.
De verdediging voerde aan dat dit verzuim een onherstelbaar vormverzuim oplevert en dat de verklaringen van de verdachte daardoor niet als bewijs mogen worden gebruikt. Het hof had echter geoordeeld dat de verdediging niet voldoende had toegelicht waarom het verzuim tot bewijsuitsluiting moest leiden en daarom geen gemotiveerde beslissing hoefde te geven over dit verweer.
De Hoge Raad herhaalt de eerdere jurisprudentie dat het verzuim van het geven van de cautie inderdaad een vormverzuim is dat in principe bewijsuitsluiting tot gevolg heeft. Toch leidt dit niet tot cassatie omdat de bewezenverklaring ook zonder de verklaring die mogelijk onrechtmatig is verkregen, voldoende gemotiveerd is op basis van andere verklaringen en bewijsmiddelen.
Het beroep wordt daarom verworpen en de veroordeling blijft in stand. De Hoge Raad benadrukt het belang van een duidelijke en gemotiveerde onderbouwing van de gevolgen van een vormverzuim door de verdediging.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de bewezenverklaring blijft ook zonder de betwiste verklaring voldoende gemotiveerd.