ECLI:NL:HR:2017:320

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 februari 2017
Publicatiedatum
27 februari 2017
Zaaknummer
16/00413
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk in poging tot doodslag zaak wegens toepassing art. 80a RO

In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2015, betreffende poging tot doodslag in het kader van een ripdeal. De Advocaat-Generaal stelde een middel van cassatie voor, maar concludeerde tevens dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).

De raadsman van de verdachte voerde verweer tegen het cassatieberoep, maar de Hoge Raad oordeelde dat de klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigden. Dit was omdat de partij die het cassatieberoep had ingesteld onvoldoende belang had of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.

De Hoge Raad verklaarde het beroep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het arrest van het hof. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 28 februari 2017, waarbij de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma betrokken waren.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.

Uitspraak

28 februari 2017
Strafkamer
nr. S 16/00413
EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 oktober 2015, nummer 21/000960-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte, M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 februari 2017.