ECLI:NL:PHR:2017:87

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2017
Publicatiedatum
27 februari 2017
Zaaknummer
16/00413
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 27 SrArt. 80a ROArt. 26 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer bij ripdeal en schietincident

De zaak betreft een poging tot doodslag tijdens een ripdeal waarbij verdachte samen met twee anderen een hoeveelheid hasj probeerde weg te nemen uit een flatwoning te Utrecht. Toen zij de flat verlieten, ontstond een schietpartij met een handlanger van de benadeelden, waarbij een van de medeverdachten om het leven kwam en de handlanger gewond raakte.

Het hof oordeelde dat verdachte zich mocht verdedigen tegen een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding door de handlanger, die met een geladen pistool bedreigde en schoot. Het hof achtte de reactie van verdachte proportioneel en concludeerde dat sprake was van noodweer, waardoor verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging voor poging doodslag.

Het Openbaar Ministerie stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat het hof onjuiste maatstaven hanteerde en onvoldoende motiveerde, en dat verdachte zich door het plegen van de ripdeal in een situatie had gebracht waarin geen beroep op noodweer mogelijk was. De Hoge Raad verwierp deze klachten, bevestigde de motivering en overwoog dat zelfs indien verdachte als eerste zou hebben geschoten, dit een beroep op noodweer niet uitsluit.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het arrest van het hof, waarmee verdachte definitief werd ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweer bij het schietincident na de ripdeal.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk en bevestigt het ontslag van alle rechtsvervolging wegens noodweer.

Conclusie

Nr. 16/00413
Zitting: 31 januari 2017
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Op 27 januari 2015 heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 17 december 2013 vernietigd voor wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde alsook de strafoplegging en de zaak teruggewezen. Na terugwijzing heeft het hof de verdachte bij arrest van 6 oktober 2015 ter zake van 1. “
poging doodslag” ontslagen van alle rechtsvervolging en ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4. veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. [1] Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven valse geld.
2. Namens het openbaar-ministerie is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.E. de Meijer, advocaat-generaal bij het ressortsparket, een middel van cassatie voorgesteld. Mr. M.E. van der Werf heeft, namens de verdachte, het middel schriftelijk tegengesproken.
3. Deze zaak is het vervolg op HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:120. Voor een goed overzicht van de achtergrond van deze zaak verwijs ik naar de conclusie van mijn ambtgenoot Bleichrodt voor het genoemde arrest. In de kern — en voor zover hier van belang —komt het erop neer dat de verdachte met twee anderen, [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) en [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), in een flatwoning een ‘ripdeal’ heeft gepleegd met de intentie een hoeveelheid hasj (vijftien kilogram) weg te nemen. Tijdens deze ripdeal hield een handlanger van de personen van wie de hasj werd afgenomen, [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), zich kennelijk beneden op bij de portiek van de flat. Op het moment dat de verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij de portiek naar buiten kwamen, vond er een schietpartij plaats tussen hen en [betrokkene 3] . Daarbij kwam voornoemde [betrokkene 1] om het leven en werd [betrokkene 3] in zijn been geschoten.
4. Het
middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en valt uiteen in een rechtsklacht en verschillende motiveringsklachten.
5. Het hof heeft bij verkort arrest van 6 oktober 2015 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
Feit 1
hij op 15 juli 2012 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene 3] van het leven te beroven met dat opzet met één vuurwapen kogels naar en in de richting van [betrokkene 3] heeft geschoten, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
6. Het verkort arrest houdt voorts, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer en derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt in dat verband het volgende.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier blijkt dat verdachte op 15 juli 2012 samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in een flatwoning aan de [a-straat] te Utrecht een gewapende, zogenoemde ripdeal heeft gepleegd. Toen verdachte en zijn handlangers naar buiten kwamen, waarbij [betrokkene 1] ongewapend vooropliep met in zijn handen uitsluitend een tas, werden zij onverwachts en onvoorbereid geconfronteerd met [betrokkene 3] . Deze was samen met één van de bij de deal betrokken personen, te weten [betrokkene 4] . naar de flatwoning gereden waar de deal zou plaatsvinden en stond, gewapend met een vuurwapen, buiten bij de portiek van de flat.
Het hof acht het aannemelijk dat [betrokkene 3] buiten stond te wachten voor het geval er boven in de flat iets mis zou gaan. [betrokkene 3] heeft ook onmiddellijk ingegrepen toen hij verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar buiten zag komen met de tas (met de geripte hasj), door hen te bedreigen met een getrokken en doorgeladen pistool, onder het uitroepen van de woorden: ‘liggen, liggen’.
Vervolgens is er zowel door [betrokkene 3] als door verdachte geschoten, waarbij [betrokkene 1] is geraakt door [betrokkene 3] en om het leven is gekomen. Wie het eerst heeft geschoten, verdachte of [betrokkene 3] , kan niet met zekerheid worden vastgesteld, maar het is zeer wel mogelijk dat dit [betrokkene 3] is geweest.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Naar het oordeel van het hof is de reactie van verdachte met betrekking tot de acute aantasting van zijn en een anders lijf een adequate en proportionele reactie te noemen. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 3] in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer door de verdachte. De situatie buiten op straat kan naar het oordeel van het hof niet worden gezien als een voortzetting van de confrontatie die zich binnen in de flat heeft afgespeeld. [betrokkene 3] kan weliswaar worden aangemerkt als een handlanger van de personen die door verdachte zijn beroofd, maar is niet zelf door verdachte of zijn mededaders bedreigd. Er is geen reden om aan te nemen dat [betrokkene 3] wist dat binnen in de flat vuurwapens zijn gebruikt. Verdachte, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kwamen na de ripdeal naar buiten, waarbij [betrokkene 1] ongewapend voorop liep met in zijn handen uitsluitend een tas en niet aannemelijk is dat verdachte en [betrokkene 2] (DA: [betrokkene 2] ) hun pistolen hadden getrokken. Het hof komt derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht, tot de conclusie dat er sprake is van noodweer, op grond waarvan verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het feit niet strafbaar is.”
7. In de toelichting betoogt de steller van het middel ten eerste dat het hof bij het honoreren van het beroep op noodweer een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door te overwegen dat de verdachte zich “
mocht” verdedigen. Zodoende heeft het hof zich niet uitgelaten over de “
noodzaak van de verdedigingshandeling” en is dat oordeel tevens onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast komt het middel op tegen de begrijpelijkheid van het voornoemde oordeel, op de grond dat het hof in het midden heeft gelaten of het de verdachte
of[betrokkene 3] is geweest die een ‘verdedigingshandeling’ heeft uitgevoerd. Een en ander zou verdachte’s beroep op noodweer in de weg kunnen staan, aldus de steller van het middel.
8. Ik begin met dat laatste punt. Voor zover de steller van het middel — in de kern bezien — betoogt dat op basis van het bestreden oordeel niet uitgesloten kan worden dat het de verdachte is geweest die de aanval heeft geopend, berust dat op een verkeerde lezing van het arrest. Het hof heeft immers overwogen dat door [betrokkene 3] ’s handelen, waarbij hij de verdachte en zijn handlangers onmiddellijk nadat zij uit de flat kwamen, bedreigde met een getrokken en doorgeladen pistool, hij “
liggen, liggen“ riep, hij op een van verdachte’s handlangers schoot ten gevolge waarvan deze om het leven is gekomen, de verdachte werd geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen. Dat het hof vervolgens in het midden heeft gelaten
wiedaarna als eerste heeft geschoten, doet daaraan niet af. In dat oordeel ligt immers besloten dat de handelwijze van [betrokkene 3] , voordat nog enig schot gelost werd, een onmiddellijk dreigend gevaar opleverde dat verdachte’s noodzakelijke verdediging rechtvaardigde. Dat oordeel getuigt, wat er ook zij van de door het hof gekozen bewoordingen, niet van een onjuiste rechtsopvatting, [2] is geenszins onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
9. Ten overvloede zij opgemerkt dat, anders dan de steller van het middel lijkt voor te wenden, zelfs de situatie waarin het hof
weltot de vaststelling zou zijn gekomen dat de verdachte als eerste zou hebben geschoten, quod non, niet aan een slagend beroep op noodweer in de weg hoeft te staan. [3]
10. Voorts komt het middel op tegen het oordeel dat “
de gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 3] niet in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer door de verdachte”. Blijkens de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan het feit dat de verdachte door het plegen van de ripdeal zichzelf in de situatie heeft gebracht, waarin hij bedreigd en daadwerkelijk beschoten zou kunnen worden. Een dergelijke situatie staat in de weg aan een slagend beroep op noodweer, aldus de steller van het middel.
11. Ten aanzien van de verhouding tussen culpa in causa en noodweer(exces) dient het volgende voorop te worden gesteld. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan,
kunnenin de weg staan aan het aannemen van noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen bijvoorbeeld indien de verdachte de aanval c.q. een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt door een provocatie of het welbewust zoeken van de confrontatie. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. [4]
12. Het betoog van de steller van het middel, dat sterk het karakter van napleiten heeft, gaat voorbij aan de omstandigheid dat het hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat de situatie buiten op straat, de schietpartij, niet kan worden gezien als een voortzetting van de confrontatie die zich binnen in de flat heeft afgespeeld, de ripdeal. Daartoe heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen (i) dat [betrokkene 3] weliswaar een handlanger was van de personen die werden beroofd, maar dat hij niet wist dat door de verdachte en zijn medeverdachten binnen in de flat vuurwapens waren gebruikt en (ii) dat [betrokkene 3] voorafgaand aan de schietpartij niet zelf door de verdachte en zijn medeverdachten werd bedreigd. In het licht van deze vaststellingen en gelet op hetgeen hiervoor onder 11 is vooropgesteld, is het bestreden oordeel geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarin ligt immers besloten dat het schietincident niet het gevolg is geweest van een uitlokking door provocatie van de verdachte of het willens en wetens zoeken van de confrontatie met het slachtoffer. Dat wordt niet anders door de vaststelling dat de verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 2] ten gevolge van de uitgevoerde ripdeal bij het verlaten van de flat een pistool bij zich hadden. De klacht faalt evident.
13. Het gaat hier om een ernstige zaak, waarin ten gevolge van de schietpartij tussen de verdachte en [betrokkene 3] een dodelijk slachtoffer te betreuren is. Een en ander neemt niet weg dat het middel, bestaande uit een aantal deelklachten, klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden aangezien het berust op een verkeerde lezing van het bestreden verkort arrest en daardoor feitelijke grondslag mist, het voorbijgaat aan hetgeen het hof heeft overwogen en het vaste rechtspraak miskent.
14. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het hof heeft bij arrest van 17 december 2013 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 mei 2013 met aanvulling van gronden bevestigd, behalve voor wat betreft de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het beroep op noodweer en de aan de verdachte opgelegde straf. Hieruit volgt dat het hof, in navolging van de rechtbank, bewezen heeft verklaard onder 2. “
2.Zie HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
3.Vgl. HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3687,
4.Zie HR 17 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:864,