Conclusie
poging doodslag” ontslagen van alle rechtsvervolging en ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4. veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. [1] Daarnaast heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven valse geld.
middelkeert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en valt uiteen in een rechtsklacht en verschillende motiveringsklachten.
mocht” verdedigen. Zodoende heeft het hof zich niet uitgelaten over de “
noodzaak van de verdedigingshandeling” en is dat oordeel tevens onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast komt het middel op tegen de begrijpelijkheid van het voornoemde oordeel, op de grond dat het hof in het midden heeft gelaten of het de verdachte
of[betrokkene 3] is geweest die een ‘verdedigingshandeling’ heeft uitgevoerd. Een en ander zou verdachte’s beroep op noodweer in de weg kunnen staan, aldus de steller van het middel.
liggen, liggen“ riep, hij op een van verdachte’s handlangers schoot ten gevolge waarvan deze om het leven is gekomen, de verdachte werd geconfronteerd met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen. Dat het hof vervolgens in het midden heeft gelaten
wiedaarna als eerste heeft geschoten, doet daaraan niet af. In dat oordeel ligt immers besloten dat de handelwijze van [betrokkene 3] , voordat nog enig schot gelost werd, een onmiddellijk dreigend gevaar opleverde dat verdachte’s noodzakelijke verdediging rechtvaardigde. Dat oordeel getuigt, wat er ook zij van de door het hof gekozen bewoordingen, niet van een onjuiste rechtsopvatting, [2] is geenszins onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
weltot de vaststelling zou zijn gekomen dat de verdachte als eerste zou hebben geschoten, quod non, niet aan een slagend beroep op noodweer in de weg hoeft te staan. [3]
de gedragingen van de verdachte voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door [betrokkene 3] niet in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer door de verdachte”. Blijkens de toelichting betoogt de steller van het middel dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan het feit dat de verdachte door het plegen van de ripdeal zichzelf in de situatie heeft gebracht, waarin hij bedreigd en daadwerkelijk beschoten zou kunnen worden. Een dergelijke situatie staat in de weg aan een slagend beroep op noodweer, aldus de steller van het middel.
kunnenin de weg staan aan het aannemen van noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen bijvoorbeeld indien de verdachte de aanval c.q. een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt door een provocatie of het welbewust zoeken van de confrontatie. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende. [4]