Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:3251

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2017
Publicatiedatum
21 december 2017
Zaaknummer
17/04515
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 1 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking voorlopige machtiging wegens onvoldoende motivering geneeskundige verklaring

Betrokkene verzocht cassatie tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland die een voorlopige machtiging verleende op grond van de Wet Bopz. De rechtbank had het verzoek mondeling behandeld op 19 april 2017 en 22 juni 2017, waarbij betrokkene en zijn advocaat aanwezig waren. De advocaat voerde aan dat de geneeskundige verklaring van 28 maart 2017 verouderd was en dat er gewijzigde feiten en omstandigheden waren sinds die datum.

De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz de betrokkene 'kort tevoren' moet zijn onderzocht en dat de geneeskundige verklaring inzicht moet geven in de actuele situatie. De rechtbank had echter geen aandacht besteed aan het verweer over de verouderde verklaring en de gewijzigde omstandigheden. Hierdoor was de motivering van de beschikking onvoldoende.

De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking van 22 juni 2017 en verwees de zaak terug naar de rechtbank Gelderland voor verdere behandeling en beslissing. De officier van justitie had geen verweerschrift ingediend en de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot vernietiging en verwijzing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.

Uitspraak

22 december 2017
Eerste Kamer
17/04515
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET OOST-NEDERLAND,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/05/318004/FA RK 17/973 van de rechtbank Gelderland van 22 juni 2017.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Gelderland.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging te verlenen ten aanzien van betrokkene. Bij het verzoekschrift was onder meer een geneeskundige verklaring gevoegd van 28 maart 2017.
(ii) De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 19 april 2017. De behandeling is toen aangehouden en is voortgezet op 22 juni 2017. Daarbij waren onder meer betrokkene en zijn advocaat aanwezig.
(iii) De advocaat heeft blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 22 juni 2017 aangevoerd dat de geneeskundige verklaring verouderd is en heeft erop gewezen dat verschillende feiten en omstandigheden sinds 29 maart 2017 waren gewijzigd.
3.2
De rechtbank heeft de verzochte machtiging verleend.
3.3.1
Onderdeel 1.2 van het middel klaagt dat de rechtbank in haar beschikking ten onrechte is voorbijgegaan aan het verweer dat de geneeskundige verklaring verouderd is, althans haar beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd.
3.3.2
Art. 5 lid 1 Wet Pro Bopz houdt onder meer in dat de betrokkene ‘kort tevoren’ moet zijn onderzocht en dat de geneeskundige verklaring inzicht verschaft in de actuele situatie van de betrokkene. De rechter dient derhalve te oordelen op basis van de feiten en omstandigheden die zich voordoen ten tijde van zijn beslissing (vgl. HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9346). Nu de rechtbank in haar beschikking geen aandacht heeft besteed aan het hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde verweer en de daar bedoelde feiten en omstandigheden, is onderdeel 1.2 gegrond. Onderdeel 1.1 behoeft geen behandeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 22 juni 2017;
wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
22 december 2017.