ECLI:NL:HR:2017:3271

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2017
Publicatiedatum
10 januari 2018
Zaaknummer
15/05057
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 417bis.1.a Sr
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over schuldheling van kleding en schoenen na inbraak in tennisshop

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake schuldheling van kleding en schoenen die in de echtelijke woning werden aangetroffen. Deze goederen waren afkomstig uit een inbraak in een tennisshop, mede gepleegd door de echtgenoot van verdachte. De kernvraag was of verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het om door misdrijf verkregen goederen ging.

De Hoge Raad beoordeelde twee middelen. Het eerste middel werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het geen rechtsvragen opriep die relevant zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het tweede middel betrof een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, veroorzaakt door late aanlevering van stukken door het hof.

Hoewel de Hoge Raad het middel gegrond verklaarde wegens overschrijding van de redelijke termijn, werd geen rechtsgevolg verbonden aan deze overschrijding gezien de lichte straf (taakstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen hechtenis) en de mate van overschrijding. Uiteindelijk werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

19 december 2017
Strafkamer
nr. S 15/05057
KD/CeH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2015, nummer 20/000847-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-presidentW.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 december 2017.