Conclusie
schuldheling” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, subsidiair vijftien dagen vervangende hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de teruggave alsmede de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelast van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
eerste middelkomt met een bewijsklacht op tegen de motivering van de bewezenverklaring. Meer in het bijzonder is naar het oordeel van de steller van het middel de bewezenverklaarde schuldheling onbegrijpelijk, althans onvoldoende met redenen omkleed doordat het hof, zonder nadere motivering, enkel heeft gewezen op de omstandigheid dat de kledingstukken voorzien waren van labels.
Adres: [a-straat 1]
Postcode/plaats: [plaats]
Gemeente: Oss
Beslagene:
Volgnummer 60
Volgnummer 61
Volgnummer 62
Volgnummer 63
Volgnummer 64
Volgnummer 65
Volgnummer 66
Volgnummer 67
Volgnummer 68
Volgnummer 69
Volgnummer 70
Volgnummer 71
Volgnummer 72
welheeft opgenomen, toegelicht in de bewijsoverwegingen, de bewezenverklaring kunnen dragen. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, komt het mij voor dat het hof niet alleen de ‘unieke labels met stickers van [A] te [plaats]’ redengevend heeft geacht en kunnen achten voor het redelijkerwijs moeten vermoeden van (kort gezegd) de criminele herkomst. Onder de bewijsmiddelen is tevens een kennisgeving van inbeslagneming opgenomen, waaruit blijkt dat het om dertien stuks kleding of schoeisel gaat (elf Wilson –sport-shirts/shorts en twee –paar- Adidas schoenen), gedeeltelijk ‘nieuw aan kleerhanger’. Een onder de bewijsmiddelen opgenomen proces-verbaal (bewijsmiddel 5) van relaas spreekt (eveneens) van een aantal roodkleurige sport shirts en zwarte sportbroeken van het merk Wilson en sportschoenen van het merk Adidas die tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte in [plaats] zijn aangetroffen. En in aansluiting op de vaststelling ‘dat de in de woning aangetroffen goederen afkomstig waren van een mede door haar echtgenoot [medeverdachte] gepleegde inbraak’ stelt het hof vast dat ‘de gestolen goederen op enig moment na de inbraak in verdachtes woning terecht zijn gekomen’. Die vaststellingen behoren ook tot de ‘gegeven omstandigheden’ waarin het naar het oordeel van het hof op de weg van verdachte had gelegen zich te vergewissen van de herkomst van de kleding en schoenen.
alleennaar rommelmarkten gaat en daar partijen kleding en schoeisel koopt omdat hij daar in handelt. De verdachte verklaart enkel dat ‘wij’ wekelijks naar rommelmarkten gaan, en verklaart ook niet dat — laat staan waarom — zij in de veronderstelling verkeerde deze hoeveelheid sportkleding daar (samen met haar man) gekocht te hebben. Uit de verklaring die de dan 46-jarige verdachte ter terechtzitting aflegt blijkt vooral dat zij al langer met een broze gezondheid kampt. Een aanwijzing waarom het aantreffen van deze hoeveelheid sportkleren in haar woning bij de verdachte geen vergewisplicht zou doen ontstaan is ook daarin niet te vinden. [3]
tweedemiddel behelst de klacht dat de inzendtermijn is geschonden. Op 21 oktober 2015 is beroep in cassatie ingesteld door verdachte. De stukken zijn op 7 april 2017 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn, die in dit geval acht maanden bedraagt, met afgerond acht maanden is overschreden. De klacht is terecht voorgesteld. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat de redelijke termijn ook in zoverre is overschreden. Een en ander behoeft gelet op de opgelegde straf evenwel niet tot strafvermindering te leiden. Uw Raad kan volstaan met de enkele constatering van de overschrijding van de redelijke termijn.