Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door een verdachte, een Amsterdamse marktmeester, veroordeeld voor passieve ambtelijke omkoping op grond van artikel 363 Sr Pro. Het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2015 werd aangevochten. De advocaat van de verdachte heeft een middel van cassatie ingediend, waarop de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping.
De Hoge Raad heeft het middel beoordeeld en geoordeeld dat het niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest is gewezen door de vice-president van de Hoge Raad, W.A.M. van Schendel, samen met raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien. Het beroep is verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor passieve ambtelijke omkoping blijft in stand.