De zaak betreft een marktmeester die door het hof Amsterdam is veroordeeld wegens medeplegen van passieve ambtelijke omkoping. Het hof stelde vast dat verdachte in de periode van 1 oktober 2001 tot 11 januari 2010 als ambtenaar in dienst van de gemeente Amsterdam geldbedragen aannam van marktkooplieden om hen in strijd met zijn plicht te bevoordelen.
Verdachte voerde in cassatie aan dat de bewezenverklaring onjuist was omdat de periode van 2006 tot 2011 zou moeten gelden, omdat het pasjessysteem pas in 2006 werd ingevoerd. De Hoge Raad oordeelde dat uit de bewijsvoering, waaronder verklaringen van marktkooplieden en stamkaarten van marktmeesters, blijkt dat ook vóór 2006 betalingen werden gedaan.
De Hoge Raad verwierp het middel en concludeerde dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd en dat de strafmotivering begrijpelijk is. Er zijn geen gronden om ambtshalve vernietiging toe te passen. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.