Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Beoordeling van het bij schriftuur voorgestelde middel
4.Beoordeling van het bij aanvullende schriftuur voorgestelde middel
5.Beslissing
28 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot afpersing. De feiten betreffen twee incidenten op 27 en 30 september 2013 waarbij verdachte en medeverdachten [betrokkene 2] met geweld en bedreiging dwongen tot afgifte van geld.
Het hof baseerde zijn oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder aangiftes, verklaringen van verdachte, medeverdachten en getuigen, proces-verbalen van politieonderzoek en WhatsApp-berichten. Deze bewijzen tonen aan dat verdachte en medeverdachten intimiderend optraden, de woning van [betrokkene 2] doorzochten, hem mishandelden en dreigden tijdens gesprekken bij McDonald's.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende en toereikend gemotiveerd heeft vastgesteld dat verdachte samen met anderen heeft geprobeerd [betrokkene 2] te dwingen tot afgifte van geldbedrag door middel van geweld en bedreiging. Ook het opzet van verdachte is volgens de Hoge Raad voldoende onderbouwd. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen.
De zaak wordt hiermee definitief afgesloten met bevestiging van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verdachte voor medeplegen van poging tot afpersing.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof dat verdachte medepleger is van poging tot afpersing met geweld wordt bevestigd.