Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Almelo,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
3 maart 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de ondertoezichtstelling centraal, waarbij de moeder cassatieberoep instelde tegen de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Raad voor de Kinderbescherming en de vader waren niet verschenen in cassatie en dienden geen verweerschrift in. De plaatsvervangend Procureur-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen.
De Hoge Raad heeft de aangevoerde klachten van de moeder beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was geen nadere motivering vereist, omdat de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft daarop het beroep van de moeder verworpen. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken door raadsheer G. de Groot op 3 maart 2017. Hiermee blijft de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2016 ongewijzigd van kracht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de beschikking van het gerechtshof blijft gehandhaafd.