Uitspraak
[X]te
[Z], Marokko (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Centrale Raad van Beroepvan 24 juni 2016, nr. 14/3919 AOW, betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet.
Hoge Raad
Belanghebbende, woonachtig in Marokko, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over een besluit van de Sociale verzekeringsbank in het kader van de Algemene Ouderdomswet.
De Hoge Raad heeft het griffierecht opgelegd en belanghebbende schriftelijk verzocht dit binnen vier weken te voldoen. Dit is niet gebeurd, ondanks herhaalde aanmaningen en de mogelijkheid om een reden voor het niet betalen aan te voeren.
De aangevoerde argumenten van belanghebbende zijn niet voldoende om het verzuim te rechtvaardigen. Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb Pro wordt het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad legt geen proceskostenveroordeling op.
Het arrest is gewezen door raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2017.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.