ECLI:NL:CRVB:2016:2522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag AOW-pensioen wegens ontbreken ingezetenschap en dienstbetrekking
Appellant, geboren in 1948 en met de Marokkaanse nationaliteit, heeft een AOW-pensioen aangevraagd met de stelling dat hij tussen 1968 en 27 februari 1972 in Nederland woonde en werkte. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij in die periode ingezetene was of in Nederland in dienstbetrekking arbeid verrichtte.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat appellant niet verzekerd was voor de AOW. Appellant voerde aan dat hij in Nederland woonde en werkte, met verwijzing naar mogelijke werkgevers en adressen, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De Svb voerde onderzoek uit, waaronder navraag bij pensioenfondsen en controle in het schakelregister, zonder aanwijzingen dat appellant in Nederland verzekerd was of werkte. De Raad volgde dit oordeel en bevestigde dat appellant onvoldoende bewijs aanvoerde om zijn ingezetenschap of dienstbetrekking aannemelijk te maken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de afwijzing van de AOW-aanvraag en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor AOW-pensioen wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tussen 1968 en 1972 in Nederland woonde of werkte.