De zaak betreft een geschil over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de erfbelasting voor aandelen in een onroerendgoed-BV. De vraag was of de vennootschap een onderneming drijft in materiële zin, zoals vereist voor de faciliteit onder artikel 35c van de Successiewet 1956.
De vennootschap hield zich bezig met verhuur van onroerende zaken en projectontwikkelingsactiviteiten. Het hof oordeelde dat de vennootschap geen onderneming dreef omdat de ontwikkelingsactiviteiten relatief beperkt waren ten opzichte van de verhuuractiviteiten, en dat deze verhouding beslissend was.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte de relatieve omvang van de ontwikkelingsactiviteiten als beslissend heeft beschouwd. Het gaat erom of de ontwikkelingsactiviteiten op zichzelf een onderneming in materiële zin vormen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwd onderzoek.
De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en gelast vergoeding van het griffierecht aan belanghebbenden. De uitspraak werd gedaan op 10 maart 2017 door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Koopman.