Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
14 maart 2017.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, was opgelegd. De advocaat-generaal concludeerde dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging van het arrest konden leiden, behalve dat het middel over de overschrijding van de redelijke termijn gegrond was. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde taakstraf en de vervangende hechtenis.
Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest uitsluitend voor het onderdeel van de taakstraf en vervangende hechtenis, waarbij het aantal uren werd verminderd tot 228 en de vervangende hechtenis tot 114 dagen. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Taakstraf verminderd tot 228 uren en vervangende hechtenis tot 114 dagen wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.