Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 maart 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor diefstal met valse sleutel van meerdere geldbedragen in juni 2013 te Utrecht.
Het verweer in cassatie richtte zich op bewijsuitsluiting wegens schending van privacyrechten door het openbaar maken van camerabeelden in een opsporingsprogramma en op internet. Het hof had geoordeeld dat de aanwijzing opsporingsberichtgeving een instructienorm is waarop verdachte in beginsel geen beroep kan doen en dat de belangenafweging in dit geval geen aanleiding gaf tot bewijsuitsluiting, ondanks een onherstelbaar vormverzuim door het ontbreken van voorafgaande toestemming van de hoofdofficier van justitie.
De Hoge Raad bevestigt dat het middel faalt omdat de bewezenverklaring ook zonder de bewijsmiddelen die zien op de herkenning van verdachte op het openbaar gemaakte beeldmateriaal toereikend is gemotiveerd. Het beroep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd, waarbij de bewezenverklaring ook zonder het privacy-gerelateerde beeldmateriaal toereikend is.