Belanghebbende kocht in januari 2013 een gebruikte personenauto in Duitsland en gaf deze aan voor BPM-heffing bij registratie in Nederland. Hij berekende de afschrijving op basis van een handelskoerslijst die twee inkoopwaarden vermeldt: één gebaseerd op aankoop van ondernemers met aftrekbare omzetbelasting en één op aankoop van particulieren (marge-auto). De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij vond dat de afschrijving moest worden berekend op basis van de hogere inkoopwaarde die geldt bij ondernemers.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de BPM-heffing niet hoger mag zijn dan het laagste restbedrag aan BPM dat vervat is in de waarde van gelijksoortige in Nederland geregistreerde auto's. Daarom mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van de lagere inkoopwaarde van de marge-auto, ongeacht of de auto is gekocht met vermelding van omzetbelasting. De fiscale herkomst van de auto is niet relevant voor de BPM-heffing.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU dat discriminatie door hogere belasting op geïmporteerde gebruikte auto's verboden is. De afschrijving moet gebaseerd zijn op de prijs waarvoor een handelaar een gebruikte auto van een particulier koopt, niet op de prijs tussen ondernemers met aftrekbare omzetbelasting. Middeling van beide waarden is ook niet toegestaan. Het beroep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.