Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
X [12] .
inkoopwaarde van een auto, maar slechts op de (handels)
verkoopwaarde. Het is de handelsinkoopwaarde waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de afschrijving van de referentieauto. Uitgaande van een evenredige afschrijving op de bpm, meent belanghebbende dat in een marge-auto de minste rest-bpm is begrepen en dat aldus voor een vergelijking met een dergelijke auto mag worden gekozen.
5.Nationale feitenrechtspraak
Integendeel, het recht op het terrein van de BPM brengt mee dat, nu naar tussen partijen vaststaat de in geding zijnde koerslijst beslissend is voor de bepaling van de verschuldigde BPM, belanghebbende de laagste waarde op die lijst mag gebruiken, ongeacht hoe belanghebbende eigenaar is geworden van de auto, meer in het bijzonder ongeacht de fiscale herkomst van de auto. De (fiscale) herkomst van de auto is geen eigenschap die aan de auto kleeft en beïnvloedt zodoende de heffing van BPM niet.Het Hof volgt de Inspecteur niet in diens primaire standpunt.” [15]
Xen dat de fiscale herkomst zodoende geen invloed heeft op de heffing van bpm. Ik citeer (en cursiveer) uit één van de uitspraken van hof ’s-Hertogenbosch:
De aftrekbaarheid van btw is naar het oordeel van de rechtbank niet een eigenschap van de auto, zoals kilometrage, courantheid, afschrijving, schade en dergelijke. Dit brengt mee dat zowel een btw-auto als een margeauto het beste referentievoertuig kan zijn, afhankelijk van de eigenschappen van die auto. De rechtbank volgt derhalve niet het standpunt van verweerder. Deze stelt zich op het standpunt dat het zijn van btw-auto wel een kenmerk van de auto is. Hij heeft erop gewezen dat uit het arrest van het HvJ van 19 december 2013, (…), blijkt dat de prijs een eigenschap van de auto is. Dit is juist, maar daarbij overweegt de rechtbank dat de desbetreffende overweging is geschreven in het licht van de vergelijking van verschillende modellen. Het gaat daarbij dan ook om de historische nieuwprijs. Immers, de huidige prijs is gelijk aan de waarde en die wordt juist weer bepaald door onderliggende eigenschappen als hiervoor genoemd, inclusief de historische nieuwprijs. Indien de huidige waarde als onderscheidend criterium voor de vergelijking zou worden gehanteerd, ontstaat een cirkelredenering. Het feit dat, zoals verweerder heeft aangevoerd, [G] zowel de mogelijkheid kent een auto als margeauto in te voeren als de mogelijkheid deze als btw-auto in te voeren doet aan het voorgaande niet af, nu de mogelijkheden die [G] biedt (overigens als enige koerslijst) niet doorslaggevend kunnen zijn voor de vraag welke waarde op grond van het Europese recht als uitgangspunt dient te worden genomen.” [20]
6.Bpm met betrekking tot gebruikte auto’s: wetgeving, historie en rechtspraak
Tatu [25] – het vrije verkeer van goederen tussen lidstaten onder normale mededingingsvoorwaarden te verzekeren. Deze bepaling strekt ertoe elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de toepassing van binnenlandse belastingen die direct of indirect discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten.
Commissie/Denemarken [33] had de wetgever in die tijd wellicht al kunnen bevroeden dat een dergelijke lineaire verminderingsregeling vanuit EG-perspectief te eenvoudig was. De feiten in die zaak lagen – kortweg – als volgt. In Denemarken werd belasting geheven op motorvoertuigen die krachtens de Deense verkeerswet moesten worden geregistreerd. De belasting was alleen verschuldigd bij de eerste registratie van het voertuig en werd geheven over 100% van de nieuwprijs bij voertuigen die minder dan zes maanden gebruikt zijn geweest en over 90% van die prijs bij voertuigen die al langer in gebruik waren. Deze belasting was volgens het HvJ in strijd met artikel 95 EEG Pro-verdrag, een voorloper van artikel 90 EG Pro-verdrag en het huidige artikel 110 VWEU Pro (in het vervolg duid ik deze artikelen aan als ‘anti-discriminatiebepaling’). Het HvJ oordeelde (met mijn cursivering):
HR BNB 2003/122 [34] werd gewezen, dat de invloed van de anti-discriminatiebepaling pas echt doordrong tot de jurisprudentie van de Hoge Raad. Tot die tijd ging de Hoge Raad om de vraag naar de verenigbaarheid met de anti-discriminatiebepaling heen. Ik verwijs in dit verband naar
HR BNB 1996/170 [35] , HR BNB 1996/403 [36] , HR BNB 2000/119 [37] en HR BNB 2000/348 [38] .Aanleiding voor de nieuwe lijn in
HR BNB 2003/122was het arrest
Gomes Valente [39] .De Hoge Raad oordeelde in
HR BNB 2003/122dat de lineaire verminderingsregeling van artikel 10 van Pro de Wet in strijd is met de anti-discriminatiebepaling. Voorts gaf hij aanwijzingen op welke wijze de Inspecteur, op wiens weg het ligt ter zake gegevens bij te brengen, de restant-bpm kan berekenen die nog drukt op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde auto’s. De Hoge Raad overweegt:
Gomes Valenteging over een min of meer met de Nederlandse regeling vergelijkbare forfaitaire afschrijvingsregeling. Het HvJ overweegt in dat arrest dat een forfaitaire regeling om praktische redenen is toegestaan, maar dat de regeling zodanig moet zijn opgezet dat – redelijke schattingen die in een dergelijk stelsel onvermijdelijk zijn, daargelaten – iedere discriminerende werking is uitgesloten. In de punten 21 tot en met 28 verwijst het HvJ in verband hiermee naar zijn eerdere rechtspraak, die hij in punt 37 van het arrest als volgt samenvat:
HR BNB 2007/55 [41] achtte de Hoge Raad namelijk ook die regeling in strijd met de anti-discriminatiebepaling. Voorts volgt uit dat arrest dat de strijdigheid van de verminderingsregeling met de anti‑discriminatiebepaling niet meebrengt dat in het geheel geen bpm kan worden geheven. Dit deed de vraag rijzen hoe de vermindering van de werkelijke waarde van een gebruikt voertuig dan moet worden berekend?
HR BNB 2009/273 [42] en
HR V-N 2009/33.24 [43] oordeelde de Hoge Raad daarover dat bij de berekening welke rest-bpm is begrepen in de waarde van de referentieauto, de inkoopwaarde van de referentieauto als uitgangspunt dient te worden genomen. [44] De basis voor die berekening is dus niet de verkoopwaarde voor een handelaar van vergelijkbare reeds geregistreerde auto’s, maar de inkoopwaarde van die auto's voor een handelaar. Ik citeer uit punt 3.3. in
HR BNB 2009/273(met mijn cursivering):
Wanneer een handelaar een zodanige auto inkoopt, zal de nog op die auto rustende BPM gelijk zijn aan een aan de door de handelaar betaalde inkoopsom evenredig gedeelte van de oorspronkelijke BPM. Deze op die auto rustende BPM wordt niet verhoogd door de eventuele marge die de handelaar bij verkoop van die auto realiseert. Indien in een geval als het onderhavige zou worden uitgegaan van de verkoopwaarde van de auto zou de marge van de handelaar in de heffing worden betrokken. Daardoor zou de heffing hoger zijn dan de BPM die rust op de evenbedoelde gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto. Derhalve zal voor de vaststelling van de BPM moeten worden uitgegaan van de inkoopprijs van de referentieauto.”
HR V-N 2009/33.24, waarin de Hoge Raad vergelijkbare bewoordingen gebruikt als in de hiervoor opgenomen overweging, volgt dat dezelfde berekeningsmethode moet worden toegepast ingeval een particulier de gebruikte auto in Nederland registreert. De Wit merkt in zijn noot bij
HR BNB 2009/273op:
Brzeziński [45] , over de heffing van accijns op gebruikte voertuigen, geeft het HvJ een nadere aanwijzing welke waarde van de gebruikte auto is bedoeld. Het HvJ overweegt:
Nádasdi en Németh [46] en punt 30 van het arrest
X. In de andere taalversies van die arresten wordt voor ‘handelswaarde’ in het Frans ‘valeur marchande’ gebruikt, in het Duits ‘Marktwerts’, in het Engels ‘market value’, in het Spaans ‘valor de mercado’ en in het Italiaans ‘valore di mercato’. Gelet op deze termen gaat het om de ‘marktwaarde’ van de gelijksoortige auto. Mijns inziens ligt dan niet ‘een-twee-drie’ de conclusie voor de hand dat dit de ‘inkoopwaarde voor een handelaar’ is, maar veeleer dat moet worden aangesloten bij de prijs waarvoor de auto op de binnenlandse markt wordt verkocht. Ik verwijs in dit verband nog naar punt 19 van
Nunes Tadeu [47] .
Tulliasiamies en Siilin [49] in aanmerking heeft genomen
.In dat arrest oordeelde het HvJ in punt 61 dat de anti-discriminatiebepaling zich ertegen verzet “dat de belastbare waarde varieert naargelang van het handelsstadium, wanneer hier, althans in bepaalde gevallen, uit kan voortvloeien dat de belasting op een ingevoerd gebruikt voertuig hoger is dan de belasting die nog rust op de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd gebruikt voertuig”. In datzelfde arrest overweegt het HvJ in punt 53 dat:
HR BNB 2012/147 [50] over de vergelijking tussen de verschillende grootheden:
HR BNB 2009/273,
HR V-N 2009/33.24en
HR BNB 2010/154 [51] , is de regeling in artikel 10 van Pro de Wet voor de berekening van de vermindering van bpm voor buitenlandse auto’s per 1 januari 2010 aangepast. Ook de Nederlandse wetgever had daarbij voor ogen dat de grootheden in de teller en de noemer van de breuk gelijk moeten zijn (en dat dus geen appels met peren worden moeten vergeleken). De nieuwe regeling hield in dat de afschrijving werd gebaseerd op de inkoopwaarde van de referentieauto in nieuwstaat. De Hoge Raad verklaarde in
HR BNB 2012/147echter ook die regeling onverbindend wegens strijd met de anti-discriminatiebepaling. Hiertoe overwoog de Hoge Raad (cursivering van mijn hand):
Bij deze wijze van berekening is niet uitgesloten dat een ingevoerde gebruikte auto in bepaalde gevallen is onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op de referentieauto.
Zoals ook de wetgever tot uitgangspunt neemt, moet ervan worden uitgegaan dat het bedrag van de BPM na de registratie van een ongebruikte auto in gelijke mate daalt als de waarde in het economische verkeer van de referentieauto.Het uitgangspunt is aldus de vermindering van het bedrag aan BPM dat is begrepen in de waarde van de referentieauto op het moment dat deze auto met het oog op het eerste gebruik in Nederland is geregistreerd.
Deze waarde is gelijk te stellen aan de prijs - waarin de BPM dus is begrepen - waarvoor de referentieauto op dat tijdstip van een onafhankelijke derde zou zijn aangeschaft.
HR BNB 2012/147.De Hoge Raad maakt in dat arrest voor het bepalen van de afschrijving immers een vergelijking – vanuit het perspectief van de consument – tussen de aanschafwaarde van een nieuwe auto en de verkoopprijs van een gebruikte auto (zijnde “de prijs waarvoor die auto in dezelfde gebruikte staat als de auto waarvoor het bedrag aan verschuldigde BPM moet worden bepaald, wordt verkocht”).
X. Dat arrest is gewezen naar aanleiding van prejudiciële vragen van hof ’s-Hertogenbosch. In die zaak ging het om een auto die in januari 2010 in Nederland is geregistreerd en in 2006 in Duitsland voor het eerst in gebruik is genomen. Bij de registratie in 2010 was belanghebbende bpm verschuldigd waarbij het bedrag afhankelijk was van de cataloguswaarde van de auto én van de CO2-uitstoot. Voor andere auto’s die in 2006 voor het eerst in gebruik zijn genomen en in de periode 1 februari 2008 tot en met 31 december 2009 in Nederland werden geregistreerd, was op grond van een overgangsregeling echter enkel bpm verschuldigd op basis van de cataloguswaarde (en dus niet mede op basis van de CO2-uitstoot). Hof ’s-Hertogenbosch twijfelde of dit verschil in heffingswijze in strijd is met de anti-discriminatiebepaling. De kern van de vragen van hof ’s-Hertogenbosch is met welke referentieauto de gebruikte personenauto dient te worden vergeleken. [53] Het HvJ somt (niet-limitatief) een aantal kenmerken op dat een rol speelt bij de vergelijkbaarheid van auto’s. Ik citeer en cursiveer:
wanneer zij zich door hun eigenschappen en door de behoeften waarin zij voorzien, in een concurrentieverhouding bevinden. De mededinging tussen twee modellen hangt af van de mate waarin zij voldoen aan een aantal vereisten op het punt van, onder meer, prijs, afmetingen, comfort, prestaties, verbruik, duurzaamheid en betrouwbaarheid.Het referentievoertuig moet het voertuig zijn waarvan de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het ingevoerde voertuig.
Dat houdt in dat rekening wordt gehouden met het model, het type en andere kenmerken, zoals de aandrijving of de uitrusting, de ouderdom en de kilometerstand, de staat van onderhoud of het merk(zie met name arresten van 19 september 2002, Tulliasiamies en Siilin, C‑101/00, Jurispr. blz. I‑7487, punten 75 en 76, en 20 september 2007, Commissie/Griekenland, C‑74/06, Jurispr. blz. I‑7585, punten 29 en 37).
limitatief noch dwingendzijn opgesomd. Het referentievoertuig kan natuurlijk variëren naargelang van de specifieke kenmerken van het ingevoerde voertuig. Twee voertuigen die op dezelfde datum voor het eerst in gebruik zijn genomen, zijn niet noodzakelijk gelijksoortig, bijvoorbeeld wegens een andere slijtage. Het staat aan de nationale rechter om, met inachtneming van de in het vorige punt vermelde kenmerken, vast te stellen van welke nationale producten de kenmerken het dichtst aanleunen bij die van het betrokken ingevoerde voertuig.
in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belastdan binnenlandse producten en dat het
bijgevolg in geen geval discriminerende gevolgen heeft(arrest van 19 maart 2009, Commissie/Finland, C‑10/08, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).” [54]
Derhalve wordt artikel 110 VWEU Pro geschonden wanneer het bedrag van die belasting op een tweedehands voertuig uit een andere lidstaat hoger is dan het restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen(arresten van 9 maart 1995, Nunes Tadeu, C‑345/93, Jurispr. blz. I‑479, punt 20, en 22 februari 2001, Gomes Valente, C‑393/98, Jurispr. blz. I‑1327, punt 23, en reeds aangehaald arrest Tulliasiamies en Siilin, punt 55).”
X– en voorgaande arresten [55] – noemt het HvJ een aantal kenmerken van een auto aan de hand waarvan het meest gelijksoortige voertuig kan worden aangewezen. Het betreffen allemaal fysieke en functionele kenmerken van een auto, met uitzondering van de ‘prijs’. De ‘prijs’ wordt echter als relevant kenmerk genoemd bij de beoordeling of twee modellen ‘gelijksoortig’ zijn. Te dezen gaat het niet om een vergelijking van verschillende modellen, maar om gelijke modellen. [56] Hoewel het HvJ expliciet aangeeft dat de in punt 23 van het arrest
Xgenoemde kenmerken niet limitatief zijn, meen ik toch dat niet álle denkbare verschillen tussen de gebruikte auto en de referentieauto relevant zijn. De vraag is nu of de fiscale herkomst (btw-auto of marge-auto) een onderscheidend kenmerk is. Ik meen dat dit niet het geval is. Ik verwijs in verband hiermee mede naar wat oudere jurisprudentie van het HvJ.
Rewe-Zentrale/Hauptzollamt Landau-Pfalz [57] dat sprake is van gelijksoortigheid indien (cursivering van mijn hand):
soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen;” [58]
Commissie/Frankrijk [59] en voegde daaraan toe dat “niet de volstrekte identiteit, maar het soortgelijke en vergelijkbare gebruik als maatstaf [dienen] te worden gehanteerd”.