In deze zaak verzocht verzoekster de rechtbank om verweerder in staat van faillissement te verklaren wegens niet-betaling van een arbitraal vonnis. De rechtbank wees het verzoek af omdat niet was gebleken van pluraliteit van schuldeisers, een vereiste volgens vaste jurisprudentie. Het hof bekrachtigde deze beslissing en oordeelde dat de omstandigheden geen aanleiding gaven om van deze rechtspraak af te wijken.
Verzoekster stelde in cassatie dat het pluraliteitsvereiste niet noodzakelijk is en dat enkel moet worden beoordeeld of de schuldenaar heeft opgehouden te betalen. De Hoge Raad verwierp dit betoog en bevestigde dat het faillissement tot doel heeft het vermogen onder gezamenlijke schuldeisers te verdelen, waardoor het pluraliteitsvereiste gerechtvaardigd is.
De Hoge Raad wees tevens op het wetgevingsprogramma Herijking Faillissementsrecht en de wetsgeschiedenis van artikel 212ha Fw, waaruit blijkt dat de wetgever het pluraliteitsvereiste onderschrijft. De overige klachten van verzoekster werden eveneens verworpen. De Hoge Raad veroordeelde verzoekster in de kosten van het cassatiegeding.