ECLI:NL:HR:2017:519

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2017
Publicatiedatum
28 maart 2017
Zaaknummer
16/04173
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 80a RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken belang en procesverzuim

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin hij niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens verstek na niet verschijnen bij de zitting op 21 maart 2016.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van de verdachte geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat het belang bij het beroep ontbrak dan wel de klachten niet tot cassatie konden leiden. Het hof had de betekening van de oproep geldig verklaard en verstek verleend, maar had nagelaten te onderzoeken of de betekening correct was en of er redenen waren voor afwezigheid van verdachte.

Ook was niet overwogen om de behandeling aan te houden om verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis kenbaar te maken. De Hoge Raad benadrukte dat de gevolgen van niet verschijnen zo ingrijpend zijn dat zorgvuldigheid in het strafproces een eenmalige aanhouding rechtvaardigt.

Desondanks vernietigde de Hoge Raad het beroep niet, maar verklaarde het niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 10 januari 2017.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en procesverzuim.

Uitspraak

10 januari 2017
Strafkamer
nr. S 16/04173
DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 maart 2016, nummer 22/002780-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 januari 2017.
SCHRIFTUUR VAN CASSATIE:
Edelhoogachtbaar College,
Daartoe door de rekwirant in cassatie, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , bepaaldelijk gevolmachtigd, heeft ondergetekende, mr. R.A.J. Verploegh, advocaat te 's-Gravenhage aan het Buitenhof 24, hierbij de eer aan Uw Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur in cassatie ten vervolge op het ingestelde cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 maart 2016.
Als cassatiemiddel wordt opgevoerd:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan niet-naleving nietigheid meebreng;
Toelichting :
Het Hof heeft de betekening aan verdachte van de oproep om te verschijnen bij het Gerechtshof van 21 maart 2016 geldig verklaard en verstek tegen de niet-verschenen verdachte verleend. Het hof heeft geen aanleiding gezien om de behandeling van de zaak aan te houden tot een nadere behandeling om de verdachte in de gelegenheid te stellen om mondeling ter terechtzitting in hoger beroep zijn bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg op te geven. Het hof heeft verdachte vervolgens op grond van het bepaalde in artikel 416 lid 2 Sv Pro niet ontvankelijk in het hoger beroep verklaard.
Daartegen richt het middel zich.
Uit de processtukken kan niet blijken dat de betekening van de oproep aan verdachte om ter terechtzitting van het Hof te verschijnen op 21 maart 2016, op een juiste wijze is geschied.
Bovendien blijkt uit de stukken niet of op enig onderzoek heeft plaatsgevonden of er een andere reden zou kunnen zijn voor de afwezigheid van verdachte, bijvoorbeeld een detentie uit andere hoofde.
Maar ook al zou de betekening op een juiste wijze zijn geschiedt en terecht verstek aan de verdachte zijn verleend, blijkt uit het proces-verbaal van de zitting of het arrest, niet dat is overwogen om de behandeling van de zaak aan te houden om de verdachte nog een mogelijkheid te geven om alsnog ter terechtzitting te verschijnen.
De consequentie van het niet verschijnen ter terechtzitting bij het gerechtshof is dat de verdachte niet in de gelegenheid is om zijn rechten te effectueren om mondeling aldaar zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
Het Hof heeft vervolgen de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Die gevolgen van het niet-verschijnen door de verdachte ter terechtzitting bij het Hof zijn zo verregaand dat de zorgvuldigheid in het strafproces op zijn minst een éénmalige aanhouding van de behandeling rechtvaardigt, om de verdachte een nadere mogelijkheid te gunnen om ter terechtzitting te verschijnen.
Voor die beoordeling kan de wijze van betekening van de oproep van belang zijn.
Het Hof heeft dat niet gedaan en ook niet gemotiveerd waarom daarvoor geen aanleiding is geweest.
Mitsdien
Op vorenstaande gronden moge het Uw Edelhoogachtbaar College behagen gemeld arrest te vernietigen met zodanige verdere uitspraak, als aan Uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.