ECLI:NL:HR:2017:560

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2017
Publicatiedatum
30 maart 2017
Zaaknummer
17/00138
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 Wet BopzArt. 14c lid 2 Wet Bopz
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking voorwaardelijke machtiging Wet Bopz wegens onbegrijpelijke uitleg advocaat

De zaak betreft een verzoek tot cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag waarin een voorwaardelijke machtiging werd verleend aan betrokkene op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).

Betrokkene was niet bereid de druk van de voorwaardelijke machtiging te accepteren, maar haar advocaat gaf aan dat zij en hij ter zitting aanwezig zouden zijn om verweer te voeren. De rechtbank stelde echter onterecht vast dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen en akkoord ging met de machtiging, gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de mededeling van de advocaat.

De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg onbegrijpelijk is en vernietigt de beschikking. De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de juiste uitleg en hoorplicht in acht moeten worden genomen.

De uitspraak benadrukt het belang van een correcte interpretatie van communicatie door advocaten en de naleving van de hoorplicht onder artikel 8 lid 1 van Pro de Wet Bopz.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

31 maart 2017
Eerste Kamer
17/00138
TT/JS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
t e g e n
OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET DEN HAAG,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/09/519376 van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2016.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag.

3.Beoordeling van het middel

3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij beschikking van 13 april 2016 heeft de rechtbank een voorwaardelijke machtiging verleend ten aanzien van betrokkene voor het tijdvak tot en met 13 oktober 2016.
Op 4 oktober 2016 heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht een nieuwe voorwaardelijke machtiging te verlenen op de voet van art. 14c lid 2 Wet Bopz.
(ii) In een fax van 7 oktober 2016 heeft mr. D. Poot als advocaat van betrokkene naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie aan de rechtbank te kennen gegeven dat betrokkene weliswaar bereid is de voorgeschreven medicatie te (blijven) aanvaarden, maar dat zij de druk van een voorwaardelijke machtiging niet wenst te accepteren. Hij verzocht datum en tijdstip te bepalen voor een mondelinge behandeling, met de mededeling dat betrokkene en haar advocaat ter zitting aanwezig zullen zijn om verweer te voeren.
3.2
In de thans bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzochte nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 13 oktober 2017. Zij overwoog onder meer:
“De rechtbank heeft vastgesteld dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen, hetgeen de rechtbank is gebleken uit de schriftelijke verklaring van de advocaat d.d. 7 oktober 2016, inhoudende dat betrokkene akkoord gaat met het verzochte en de daarbij behorende voorwaarden en niet ter zitting zal verschijnen.”
Met “de advocaat” in dit citaat is, blijkens de kop van de beschikking, mr. D. Poot bedoeld.
3.3
Het tegen deze beschikking gerichte middel treft doel. Gelet op de hiervoor in 3.1 onder (ii) weergegeven inhoud van de fax van 7 oktober 2016 van de advocaat van betrokkene, is het oordeel van de rechtbank dat zij heeft vastgesteld dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen en akkoord gaat met de verzochte voorwaardelijke machtiging en de daarbij behorende voorwaarden, onbegrijpelijk.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 17 oktober 2016;
wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
31 maart 2017.