Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Helmond,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
31 maart 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen een werknemer en Vlisco Netherlands B.V. over een ontslag op staande voet en de daarop volgende voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer werd op 27 juli 2015 op staande voet ontslagen. Hij verzocht de kantonrechter dit ontslag te vernietigen en eiste loonbetaling en tewerkstelling. Vlisco verzocht subsidiair om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van diverse wettelijke gronden indien het ontslag op staande voet zou worden vernietigd.
De kantonrechter wees het verzoek tot vernietiging van het ontslag toe en ontbond de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk. Het hof stelde het herstel van de arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden per 1 december 2015 voorwaardelijk vast, voor het geval het ontslag op staande voet zou worden vernietigd. Vlisco werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
De Hoge Raad bevestigde dat het systeem van de Wet werk en zekerheid toelaat dat een werkgever een verzoek tot ontbinding kan indienen voor het geval het ontslag op staande voet wordt vernietigd. De Hoge Raad verwierp klachten dat het hof ten onrechte de ontbinding voorwaardelijk had toegestaan en dat het herstel van de arbeidsovereenkomst beperkt was tot het oordeel van de kantonrechter. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat het hof Vlisco ook in de proceskosten van de eerste aanleg had moeten veroordelen en vernietigde de beschikking van het hof voor zover deze daarin tekort schoot.
De Hoge Raad wees het beroep van Vlisco verder af en veroordeelde de werknemer in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de mogelijkheid van voorwaardelijke ontbinding na vernietiging ontslag op staande voet en veroordeelt Vlisco in de proceskosten van de eerste aanleg.