Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het oordeel van het Gerechtshof Amsterdam over de proceskostenvergoeding in een belastingzaak betreffende personenauto's en motorrijwielen. Het hof had bij de berekening van de proceskostenvergoeding rekening gehouden met zes samenhangende zaken en de vergoeding dienovereenkomstig gematigd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het gewijzigde samenhangcriterium uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) toepaste, ondanks dat het beroep was ingesteld vóór de wijziging per 1 januari 2015. Dit is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat op het moment van het indienen van het hogerberoepschrift geen gerechtvaardigde verwachtingen konden bestaan omtrent de vergoeding.
Wel stelt de Hoge Raad vast dat het hof ten onrechte het incidenteel hogerberoepschrift niet heeft meegewogen bij de proceskostenvergoeding. Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat geen samenhang kan worden aangenomen tussen zaken waarin verschillende partijen hoger beroep instellen, omdat de proceshandelingen verschillen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofsoordeel over de proceskostenvergoeding en wijst de zaak af met een aangepaste toekenning van proceskosten. De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten in cassatie, en de Inspecteur tot vergoeding van proceskosten voor het hof.