Belanghebbende, woonachtig in België, was betrokken bij diverse transacties via meerdere vennootschappen, waaronder de Spinnerijtransactie in 1996 en de VBK-transactie in 1999. De Inspecteur legde navorderingsaanslagen op, waarbij winst uit deze transacties deels werd toegerekend aan Nederland vanwege de onderneming die belanghebbende met een zakenpartner in Nederland dreef.
Belanghebbende werd in een strafzaak vrijgesproken en niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring, maar dit deed volgens het Hof geen afbreuk aan de fiscale vaststellingen. Het Hof oordeelde dat belanghebbende met behulp van zijn Nederlandse zakenpartner als vaste vertegenwoordiger een onderneming dreef in Nederland en dat de winst aan Nederland toerekenbaar was.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven door de winst geheel aan Nederland toe te rekenen zonder voldoende motivering. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling van de toerekening van de winst aan de vaste inrichting in Nederland.
Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat het niet volledig voldoen aan inlichtingenverzoeken niet tot vernietiging leidt en dat een pleitbaar standpunt omtrent belastingplicht niet ontslaat van de inlichtingenplicht. De Staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.