Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
Melo Tadeu v. Portugal) in relatie tot de onderhavige procedure. [3] Het Hof overwoog:
3.Beschouwing en beoordeling van het eerste middel
Melo Tadeu v. Portugal. [5] Uit dit arrest zou volgen dat de onschuldpresumptie als opgenomen in artikel 6, lid 2, EVRM ertoe leidt dat de onderhavige aanslag voor wat betreft de resultaten uit de belegging [G] moet worden vernietigd. Het in stand laten van de aanslag zou namelijk tot gevolg hebben dat bij belanghebbende schuld moet worden geconstateerd aan hetgeen waarvan hij in een eerdere strafrechtelijke procedure is vrijgesproken. [6]
Melo Tadeu) voorafging, werd mevrouw Melo Tadeu geconfronteerd met aansprakelijkheid en invorderingsmaatregelen voor belastingschulden van een vennootschap waarvan zij volgens de Portugese autoriteiten feitelijk bestuurder zou zijn. Op het moment van aanvang van die procedures werd zij op dezelfde gronden tevens strafrechtelijk vervolgd. Mevrouw Melo Tadeu verweerde zich zowel voor de strafrechter als voor de administratieve rechter met het argument dat zij nimmer (feitelijk) bestuurder van de vennootschap was geweest. In de strafzaak werd zij uiteindelijk vrijgesproken. Na het eindigen van de strafzaak, liepen de fiscaalbestuursrechtelijke procedures door. Daarin beriep mevrouw Melo Tadeu zich op de inmiddels onherroepelijke vrijspraak van het feitelijke leidinggeven. Tot een inhoudelijke beoordeling van dat verweer kwam de administratieve rechter echter niet. Het beroep van mevrouw Melo Tadeu werd namelijk steeds op processuele gronden (termijnoverschrijding) niet-ontvankelijk verklaard. Mevrouw Melo Tadeu klaagde hierover bij het EHRM. De uitspraak van het EHRM is alleen gepubliceerd in het Frans en Portugees. In de Franse versie is met betrekking tot de onschuldpresumptie uit artikel 6, lid 2, EVRM [7] onder meer het volgende opgenomen: [8]
Melo Tadeuverwijst het EHRM naar eerdere zaken betreffende de onschuldpresumptie die licht werpen op de interpretatie van het arrest in het onderhavige geval. Zonder volledig te willen zijn, behandel ik de volgende zaken. [11]
Minelli v. Switzerlandwerd de heer Minelli vervolgd in een door een particulier aangespannen procedure (“private prosecution”). Nadat een inhoudelijke behandeling van de zaak uitbleef wegens verjaring, veroordeelde de Zwitserse rechter de heer Minelli in een deel van de (proces)kosten omdat het zonder verjaring waarschijnlijk tot een veroordeling zou zijn gekomen. Het EHRM overwoog: [12]
Sekanina v. Austriaoverwoog het EHRM dat zodra een vrijspraak onherroepelijk is komen vast te staan, niet langer verdenkingen met betrekking tot de onschuld van degene die is vrijgesproken mogen worden opgeworpen: [13]
Asan Rushiti v. Austriavolgt dat aan het vorenstaande niet afdoet de reden voor de vrijspraak: [14]
Y v. Norwayvolgt echter dat een strafrechtelijke vrijspraak er niet steeds aan in de weg staat dat in een civiele procedure zelfstandig wordt geoordeeld over de vraag of op grond van een onrechtmatige daad schadevergoeding moet worden betaald aan een ‘slachtoffer’. In dergelijke zaken geldt doorgaans een andere bewijslast(verdeling) dan in strafzaken. Het is niet de bedoeling om de mogelijkheden voor een slachtoffer om schadevergoeding te eisen, te beperken. Als de beslissing van de civiele rechter echter tevens een oordeel over de strafbaarheid van de gedaagde partij bevat, kan echter sprake zijn van schending van artikel 6, lid 2, EVRM: [15]
Y v. Norwayuiteindelijk dat de uitlating dat ‘the High Court finds it clearly probable that [the applicant] has committed the offences against Ms T. with which he was charged’, verder ging dan voor de vaststelling van civiele aansprakelijkheid nodig was en ten onrechte twijfel zaaide over de juistheid van de vrijspraak. [16] Er werd daarom strijd met de onschuldpresumptie aangenomen. [17]
Ringvold v. Norwaywerd de heer Ringvold vrijgesproken van seksueel misbruik van de minderjarige G. In diezelfde (strafrechtelijke) procedure had G. zich gevoegd als benadeelde partij maar werd geen schadevergoeding toegekend. Nadat G. tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in beroep ging (de vrijspraak stond niet ter discussie), kende de Supreme Court een vergoeding voor immateriële schade toe omdat het aannemelijk achtte dat Ringvold G. seksueel had misbruikt. De Supreme Court benadrukte dat deze beslissing losstond van de beslissing in de strafprocedure en dat met de toekenning van schadevergoeding geen afbreuk werd gedaan aan de eerdere vrijspraak. Ringvold klaagde bij het EHRM erover dat de Supreme Court de onschuldpresumptie had geschonden. Het EHRM achtte artikel 6, lid 2, EVRM in het onderhavige geval echter niet van toepassing aangezien de procedures duidelijk onderscheiden konden worden. Het EHRM overwoog: [18]
Reeves v. Norwaywerd mevrouw Reeves o.a. verdacht van brandstichting in haar eigen woning om op die manier verzekeringsgelden te incasseren. Tegelijkertijd met de strafrechtelijke procedure oordeelde de High Court (in dezelfde samenstelling) over de vraag of mevrouw Reeves onrechtmatig had gehandeld jegens de verzekeringsmaatschappij. De strafprocedure eindigde in vrijspraak voor wat betreft de brandstichting aangezien slechts vier van de zeven rechters tot een veroordeling kwamen, terwijl daarvoor vijf stemmen nodig waren. Wel kwam de High Court tot het oordeel dat sprake was van een onrechtmatige daad jegens de verzekeringsmaatschappij, zodat mevrouw Reeves gehouden was schadevergoeding te betalen. Daarbij verwezen de vier rechters die tot een strafrechtelijke veroordeling kwamen, naar hun motivering dienaangaande. Eén van de rechters die geen strafrechtelijke verwijtbaarheid bewezen achtte, overwoog dat wél voldoende bewijs aanwezig was voor (de lagere bewijsstandaard voor) civielrechtelijke aansprakelijkheid. Mevrouw Reeves beklaagde zich bij het EHRM erover dat hiermee de onschuldpresumptie was geschonden. Het EHRM overwoog (onder meer onder verwijzing naar
Ringvolden
Y. v. Norway): [19]
Vanjak v. Croatiavolgt dat ook in een (administratieve) disciplinaire procedure die volgt op een strafzaak een eigen beoordeling van de voorliggende feiten mag plaatsvinden, mits de vrijspraak niet in twijfel wordt getrokken: [20]
Sikic v. Croatiawas eveneens sprake van een (administratieve) disciplinaire procedure die doorliep nadat de strafprocedure vanwege dezelfde kwestie tegen de betreffende overheidsdienaar werd ingetrokken. Het EHRM overwoog met betrekking tot de vraag of de onschuldpresumptie gelding had in de administratieve procedure: [21]
Hrdalo v. Croatiavolgt dat de onschuldpresumptie kan doorwerken naar een bestuursrechtelijke procedure: [22]
Diacenco v. Romaniawerd de heer Diacenco vrijgesproken van het toebrengen van letsel als gevolg van een verkeersongeluk aangezien hij dat verkeersongeluk niet kon hebben voorzien. In hoger beroep liet de Court of Appeal de vrijspraak in stand maar veroordeelde het Diacenco in de vergoeding van schade aan de benadeelde partij. Diacenco klaagde er bij het EHRM over dat de onschuldpresumptie werd geschonden. Het EHRM oordeelde dat de Court of Appeal de onschuldpresumptie had geschonden door in het oordeel over de vergoeding van schade tevens een opmerking te maken over de vraag of Diacenco schuldig was:
Allen v. The United Kingdomgeeft het EHRM een overzicht van zijn rechtspraak tot dat moment. [23] Het EHRM onderscheidt – net als in
Melo Tadeu– twee situaties waarin de onschuldpresumptie toepassing kan vinden, namelijk (i) in de strafrechtelijk procedure ‘an sich’ en (ii) in eventuele opvolgende procedures. Het EHRM overweegt vervolgens dat voor de toepassing van de onschuldpresumptie in de tweede situatie sprake moet zijn van een ‘link’ met de strafrechtelijke procedure. De bewijslast daarvan rust op de belanghebbende:
Allen v. The United Kingdom:
post-trial-context materieel precies inhouden, wordt door deze uitspraak echter niet duidelijker. Zij kwamen tot nu toe kort gezegd op het volgende neer. Beslissingen in nevenprocedures ten nadele van de gewezen verdachte leveren in beginsel op zichzelf geen schending van art. 6, tweede lid, EVRM op. Nationale autoriteiten dienen zich echter te onthouden van uitlatingen die een overtuiging van de schuld van de gewezen verdachte weergeven (zie ter illustratie onder meer
Baarst.
Nederland, EHRM 28 oktober 2003, nr. 44320/98, «EHRC» 2003/97 m.nt. Mols;
Ashendon & Jones, reeds aangehaald). Bij de beoordeling van die bewoordingen kan de aard van de inhoudelijke beslissing in de vervolgprocedure alsnog van belang zijn (vgl.
Lutzt.
Duitsland, EHRM 25 augustus 1987, nr. 9912/82, par. 63). Daarnaast is in de regel de uitkomst in de hoofdzaak relevant. Het Hof maakt doorgaans een onderscheid tussen enerzijds afbreking van de vervolging (
discontinuation) en anderzijds een vrijspraak, waartoe ook het Nederlandse ontslag van alle rechtsvervolging moet worden gerekend. Strenger is het Hof ten aanzien van de woordkeuze in vervolgprocedures waar een vrijspraak in de hoofdzaak aan de orde is. Dan is naast een “finding of guilt” ook “voicing of suspicions” in de motivering van een nadere beslissing niet toelaatbaar (onder vele als eerste
Sekanina, reeds aangehaald, par. 30; al is het Hof daarin niet altijd consistent: zie bijv. de Nederlandse zaak
Del Lattet.
Nederland, EHRM 9 november 2004, nr. 44760/98, «EHRC» 2005/1 m.nt. Fernhout). Afkeuring van het gedrag (“disapproval of conduct”) van de verdachte is daarentegen – ook na vrijspraak – toegestaan en er lijken in de zienswijze van het Hof evenmin bezwaren te bestaan tegen het betrekken van diens passieve proceshouding bij een beslissing in een nevenprocedure (
Ashendon & Jones, reeds aangehaald).
NJ-noot bij
A.L.t.
Duitsland, EHRM 28 april 2005, nr. 72758/01,
NJ2005, 569, «EHRC» 2005/60 m.nt. Fernhout) en tevens in de weg kan komen te staan aan waarachtige rechtspraak wanneer relevante aspecten in een nevenprocedure buiten beschouwing moeten worden gelaten (zie P.H.P.H.M.C. van Kempen, noot bij
Ashendon & Jones, reeds aangehaald, punt 10-12). Het verschil tussen
findings of guilt, disapproval of conducten
voicing of suspicionsovertuigt ook lang niet altijd. Al met al maakt ’s Hofs rechtspraak het de nationale rechter buitengewoon moeilijk om waarachtig, gemotiveerd en in overeenstemming met de onschuldpresumptie recht te spreken. Des te verbazender is het dat het Hof de hierboven geschetste lijn in de voorliggende zaak wel noemt, maar deze niet bevestigt, noch met een helder ander criterium voor de inhoudelijke beoordeling komt. Integendeel eigenlijk, het Hof constateert dat uit de jurisprudentie niet één duidelijke benadering voortvloeit (par. 125). Vervolgens beschrijft het in tamelijk vage bewoordingen de aan te leggen maatstaf. Met die maatstaf gaat het Hof niet uitdrukkelijk ‘om’ en dezelfde factoren zijn van belang als in de eerdere rechtspraak al figureerden, maar of daarmee ook de begrippen
finding of guilten
voicing of suspicionbeslissend blijven is niet duidelijk. Die vaagheid is wellicht ingegeven door een zekere onvrede over de ingezette lijn maar is tegelijk onbevredigend, juist vanwege die ingewikkelde taak waarmee de nationale rechter wordt opgezadeld en tevens met het oog op de werklast van het Hof zelf: thans gaat een grote hoeveelheid op art. 6, tweede lid, EVRM betrekking hebbende zaken over het
post-trial-aspect.
post-trial-aspect te betrekken criteria komen uit de eerdere jurisprudentie van het Hof. Vooral is “the language used by the decision-maker [..] of critical importance in assessing the compatibility of the decision and its reasoning with Article 6 § 2” (par.126). Bij die beoordeling geldt dat “much will depend on the nature and context of the proceedings in which the impugned decision was adopted” (par. 125). De aard van de vervolgprocedure kwam zoals gezegd ook in eerdere rechtspraak al naar voren als belangrijk punt. Mij lijkt daarbij in elk geval van belang of de klager zelf om deze procedure heeft verzocht en zich daarmee aan uitlatingen over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit heeft blootgesteld. Voorts kan de beslissing in de vervolgprocedure zelf al enige indruk van punitiviteit geven. Dat was bijvoorbeeld het geval in
Minelli, waar de verdachte van een verjaard feit werd veroordeeld in de door de aanklager gemaakte proceskosten. Ook de taak waarvoor de rechter zich naar nationaal recht gesteld zag, dient te worden betrokken in de waardering van diens bewoordingen (par. 130 e.v.). In
Allenis het Hof bereid bewoordingen welwillend te lezen in het licht van de taak van de nationale rechter om te beoordelen of sprake was van een
miscarriage of justice. Dat is goed te begrijpen. Ook het Hof wil dat de nationale rechter op een waarachtige en gemotiveerde wijze recht kan doen.
Melo Tadeutot op heden slechts éénmaal expliciet aan de orde gekomen. In HR
BNB2015/173 overwoog de Hoge Raad: [25]
Hrdalo v. Croatia, als volgt: [26]
4.Beschouwing en beoordeling van het tweede middel
Xen
Passenheim-Van Schoot [58] is antwoord gegeven op de vraag hoe deze bepaling zich verhoudt tot het EU-recht. In mijn conclusie van 17 december 2014 [59] vatte ik de rechtspraak van het HvJ en, daaropvolgend de Hoge Raad, als volgt samen:
BNB2013/234 volgt dat indien bij het opleggen van de aanslag een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden optreedt, niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen: [62]
Leplatoverwoog het HvJ dat de algemene verdragsbepalingen zonder uitdrukkelijke verwijzing niet op de LGO van toepassing zijn: [65]
Prunusen
Polonium(C-384/09) was de vraag aan de orde of de vrijheid van kapitaalverkeer zich verzette tegen een heffing van 3 procent op Frans onroerend goed dat in handen was van investeerders uit een LGO (‘OCT’), in dit geval de BVI. Het HvJ overwoog dat de LGO voor de toepassing van het vrij verkeer van kapitaal moest worden behandeld als ‘derde land’ en dat de stand-stillbepaling daarop eveneens van toepassing was: [68]
X(C-24/12) en
TBG Limited(C-27/12) stelde de Hoge Raad de vraag of een eigen LGO voor de toepassing van het vrij verkeer van kapitaal ook als ‘derde land’ moest worden aangemerkt. [69] Het HvJ liet die vraag echter onbeantwoord en oordeelde dat artikel 47, lid 1, LGO-Besluit nauw aansluit bij de draagwijdte van het vrij verkeer van kapitaal in de verhoudingen tussen de lidstaten en derde landen: [70]
Lasertecoverwoog het HvJ onder verwijzing naar eerdere rechtspraak dat nationale bepalingen die betrekking hebben op het bezit van een belang, waardoor beslissende invloed op de besluiten van de betrokken vennootschap kan worden uitgeoefend, binnen de materiële werkingssfeer van de vrijheid van vestiging vallen: [72]
Test Claimants in the FII Group Litigationis het HvJ nader ingegaan op de bepaling van de toepasselijke verdragsvrijheid. Het HvJ overwoog: [73]
Wagner-Raith. In die procedure hield mevrouw Wagner-Raith een depot aan bij LGT Bank AG (hierna: “LGT”) in Liechtenstein, met daarin met name deelnemingen in beleggingsfondsen die op de Kaaimaneilanden (LGO) waren gevestigd. Deze beleggingen werden door de Duitse fiscus als ‘zwarte fondsen’ aangemerkt waardoor zij forfaitair (en zwaarder) werden belast. Aangezien deze regeling reeds voor 31 december 1993 bestond, legde de Duitse rechter het HvJ de vraag voor of de stand-stillbepaling hierop van toepassing was. Nadat het HvJ oordeelde dat het vrij verkeer van kapitaal aan de orde was, overwoog het dat de stand-stillbepaling daarop van toepassing was: [74]
geïncasseerd. Het grensoverschrijdende aspect is dan terug te voeren op het enkele feit dat de (papieren) geldstroom via Curaçao liep, zulks los van de vraag waar de (ondernemings)winst is behaald of de doorslaggevende zeggenschap wordt uitgeoefend.
Xen
Passenheim-Van Schootvolgt immers dat een rechtvaardiging voor de verlengde navorderingstermijn onder meer kan worden gevonden in de noodzaak van de bestrijding van belastingfraude. [82] Een dergelijke maatregel valt dan buiten de werkingssfeer van artikel 47, lid 1, LGO-Besluit ‘op voorwaarde dat daarmee deze doelstelling daadwerkelijk en evenredig wordt nagestreefd, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat’. Het HvJ oordeelde ter zake van de verlengde navorderingstermijn dat de regeling een doeltreffend en evenredig middel vormt zolang de Nederlandse belastingautoriteiten nog niet beschikken over aanwijzingen over het bestaan van de in het buitenland aangehouden bestanddelen.
Xen
Passenheim-Van Schoot. [84]
Xen
TBGartikel 47, lid 1, LGO-Besluit op de verhouding tussen Nederland en de Nederlands Antillen van toepassing heeft verklaard, en er veel voor valt te zeggen lid 2 dienovereenkomstig toe te passen, heeft het HvJ de vraag naar de mate waarin de Unierechtelijke regels betreffende de verhoudingen tussen de Unie en de LGO van toepassing zijn op een lidstaat en zijn eigen LGO, en meer in het bijzonder de toepassing van de stand-stilbepaling, namelijk onbeantwoord gelaten. Het stellen van vragen zou dan mogelijk zijn aangewezen.
5.Beschouwing en beoordeling van het derde middel
BNB2010/49), althans naar analogie daarvan, volgt dat indien een niet in Nederland wonend persoon een pleitbaar standpunt heeft dat hij niet in Nederland buitenlands belastingplichtig is, niet kan worden gesteld dat die persoon heeft geweigerd om inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang konden zijn en (ii) het Hof onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur had verzocht om gegevens die de Belastingdienst reeds in zijn bezit had, dan wel dat het ging om een verzoek om informatie waarop belanghebbende in redelijkheid geen antwoord kon geven.
op zijn beurtonvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de Inspecteur daarbij heeft verzocht om gegevens die de Inspecteur reeds in zijn bezit had dan wel waarop belanghebbende in redelijkheid geen antwoord kon geven.
BNB2010/49), althans naar analogie daarvan, volgt dat indien een niet in Nederland wonend persoon een pleitbaar standpunt heeft dat hij niet in Nederland buitenlands belastingplichtig is, niet kan worden gesteld dat die persoon heeft geweigerd om inlichtingen te verstrekken die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang konden zijn, zodat het Hof de omkering en verzwaring van de bewijslast daarom ten onrechte heeft toegepast.
Langereis, De Roos en Lambregts: [113]
BNB2010/49, had de belanghebbende het standpunt ingenomen dat inhouding van loonheffing ter zake van bepaalde rendementsgaranties niet eerder aan de orde zou komen dan bij het inroepen daarvan, en daarom de toekenning van die rendementsgaranties niet in de (eerdere) aangiften loonheffing was opgenomen. De Hoge Raad overwoog: [114]
derhalveniet weet of zich ervan bewust behoeft te zijn dat te weinig belasting zal worden geheven’, volgt mijns inziens dat de – voor het niet-doen van de vereiste aangifte – vereiste bewustheid kan ontbreken indien met betrekking tot inhoudelijke gebreken een pleitbaar standpunt is ingenomen.
Aardemahet in zijn noot onder HR
BNB2003/268 verwoordt: [118]
6.Beschouwing en beoordeling van het vierde middel
7.Beschouwing en beoordeling van het vijfde middel
8.Beschouwing en beoordeling van het zesde middel
a,Wet IB 1964 gedefinieerd als:
BNB1988/258 volgt dat de vraag of een (rechts)persoon namens een buitenlandse onderneming optreedt als
vasteof
onafhankelijkevertegenwoordiger, in beginsel kan worden beantwoord per onderneming die wordt vertegenwoordigd. Immers, niet is uitgesloten dat een hier te lande gevestigde onderneming ten aanzien van sommige door haar ten behoeve van een buitenlandse onderneming verrichte werkzaamheden als onafhankelijke vertegenwoordiger optreedt, en met betrekking tot andere ten behoeve van die buitenlandse onderneming door haar uitgevoerde werkzaamheden optreedt als vaste vertegenwoordiging: [153]
BNB1988/258 overwoog de Hoge Raad in HR
BNB1996/108 dat bij de totstandkoming van een overeenkomst door middel van een vaste vertegenwoordiger geen sprake kan zijn van samenloop tussen vast en onafhankelijk vertegenwoordigerschap: [155]
BNB1982/127 volgt dat voor het ‘gewoonlijk uitoefenen’ meer vereist is dan dat de vertegenwoordiger in het verleden van de volmacht gebruik heeft gemaakt en de mogelijkheid heeft dat in de toekomst weer te doen: [156]
Klaus Vogelbij het OESO-modelverdrag wordt ter zake van de vaste vertegenwoordiger opgemerkt: [157]
Klaus Vogelbij het OESO-modelverdrag wordt ter zake van de onafhankelijke vertegenwoordiger opgemerkt: [162]
9.Beschouwing en beoordeling van het zevende middel
10.Beschouwing en beoordeling van het achtste middel
Melo Tadeuvoortvloeit dat de Inspecteur de aanslagen direct na de vrijspraak had behoren te vernietigen, zodat hij (vanaf dat moment) tegen beter weten in zou hebben geprocedeerd, faalt het op grond van hetgeen is opgemerkt bij de behandeling van het eerste middel. [186]