Belanghebbende stelt kamers ter beschikking aan prostituees in panden waarvoor zij over exploitatievergunningen beschikt. Het geschil betreft de vraag of deze terbeschikkingstelling enkel als vrijgestelde verhuur van onroerende zaken moet worden aangemerkt of dat ook beheerswerkzaamheden door derden aan belanghebbende moeten worden toegerekend.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat beheerswerkzaamheden uitsluitend op grond van overeenkomsten met prostituees werden verricht, en dat belanghebbende daarom ook afnemer was van deze diensten. De Hoge Raad stelt echter dat het Hof onjuist de bewijslastregel uit arrest BNB 2002/141 toepaste in plaats van de juiste maatstaf uit BNB 2012/55, waardoor het Hof een onjuiste maatstaf hanteerde.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Hof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing, met inachtneming van de juiste bewijsregels en het arrest van de Hoge Raad uit 2013. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van het cassatieberoep.