Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statevan 8 februari 2017, nr. 201604091/1/A2.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 februari 2017. De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van dit beroep aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Volgens deze wettelijke bepaling kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen uitspraken van de administratieve rechter indien dit bij wet is bepaald. In deze zaak ontbreekt een wettelijke grondslag voor cassatie tegen de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Tevens acht de Hoge Raad geen gronden aanwezig om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is op 14 april 2017 in het openbaar gewezen door de raadsheren Wortel, Groeneveld en Beukers-van Dooren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.