ECLI:NL:RVS:2017:295
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldhulpverlening door college na weigering schuldeisers
Appellant heeft zich aangemeld bij de Groningse Kredietbank voor schuldhulpverlening, die in november 2014 werd toegekend met een plan van aanpak gericht op schuldregeling en budgetbeheer. Het college beëindigde de schuldhulpverlening in juni 2015 omdat enkele schuldeisers niet akkoord gingen met het voorstel.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college en later door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat het college niet bevoegd was, dat de beslistermijn was overschreden, dat het wrakingsverzoek ten onrechte werd afgewezen, en dat het college onterecht geen verzoek om dwangakkoord had ingediend.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bevoegd was en dat de beslistermijn een termijn van orde is. Het wrakingsverzoek faalde omdat het was gebaseerd op eerdere uitspraken en omstandigheden uit andere zaken. Het college mocht in redelijkheid afzien van een verzoek tot dwangakkoord gezien het aandeel van schuldeisers die niet meewerkten. Ook werd geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden en dat het ontbreken van beleidsregels geen onrechtmatigheid opleverde.
Ten slotte werd het betoog over onvoldoende nazorg afgewezen omdat dit na het bestreden besluit speelde, en het nieuwe betoog over registratie bij het Bureau Kredietregistratie werd buiten beschouwing gelaten. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de schuldhulpverlening door het college wordt bevestigd.