Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de geldigheid van de dagaanzegging
3.Beslissing
18 april 2017.
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd dat de dagaanzegging zoals bedoeld in artikel 435 van Pro het Wetboek van Strafvordering niet rechtsgeldig is betekend in Sint Maarten.
De Hoge Raad heeft deze conclusie gevolgd en geoordeeld dat de uitreiking van de dagaanzegging niet op een rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat de zaak van de rol moet worden gevoerd, zodat de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad een nieuwe dagaanzegging kan uitbrengen voor de behandeling van het cassatieberoep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal bevat een uitvoerige bespreking van de betekening van dagaanzeggingen binnen de Koninkrijkslanden Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. De Hoge Raad heeft op 18 april 2017 deze rolbeslissing gewezen, waarbij de vice-president A.J.A. van Dorst de zaak behandelde in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Schnetz.
Uitkomst: De zaak wordt van de rol gevoerd vanwege ongeldige betekening van de dagaanzegging, zodat een nieuwe dagaanzegging kan worden gedaan.