Belanghebbende, eigenaar van een woonboot gelegen in de Oude Rijn binnen de gemeente Leiden, kreeg aanslagen binnenhavengeld opgelegd voor het derde en vierde kwartaal van 2014 en het eerste kwartaal van 2015. Deze aanslagen werden gehandhaafd na bezwaar en hoger beroep bij het Hof Den Haag, dat oordeelde dat de gemeente het beheer over het water had en dat de woonboot als vaartuig kwalificeerde. Het Hof verwierp ook het beroep op het winstverbod.
In cassatie stelde belanghebbende dat de gemeente niet het beheer had over het gehele wateroppervlak waarin de woonboot lag, en dat de aanslagen onrechtmatig waren. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het beheer bij de gemeente lag, waardoor het arrest niet in stand kon blijven. De Hoge Raad benadrukte dat voor heffing van binnenhavengeld eigendom van het water volstaat, beheer is niet vereist.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het Hof Den Haag en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing, waarbij het Gerechtshof ook moet onderzoeken of de gemeente eigenaar is van het water. De overige klachten faalden. De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af.