Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin de tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen werd gelast en vervangen door taakstraffen met subsidiaire hechtenis.
Het hof had de gevangenisstraffen van veertien dagen en één week vervangen door taakstraffen van respectievelijk zestig en dertig uren, met een subsidiaire hechtenis van twee weken en één week. De verdachte stelde dat het hof onjuist was door niet uit te gaan van de maatstaf van twee uren taakstraf per dag vrijheidsstraf.
De Hoge Raad overwoog dat noch artikel 22d, derde lid, Sr, noch enige andere wetsbepaling de rechter verplicht om bij vervanging van een vrijheidsstraf door een taakstraf de omrekening van twee uren per dag te hanteren. Wel geldt dat de duur van de vervangende hechtenis niet langer mag zijn dan de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf, conform eerdere jurisprudentie.
Het beroep van de verdachte werd verworpen en het arrest van het hof bevestigd. Hiermee is de maatstaf voor de vervanging van voorwaardelijke gevangenisstraffen door taakstraffen verduidelijkt binnen de grenzen van de wet.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de rechter niet verplicht is de omrekeningsnorm van twee uren taakstraf per dag vrijheidsstraf te hanteren bij vervanging van voorwaardelijke gevangenisstraffen.