Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
9 mei 2017.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de ontzegging van de rijbevoegdheid (OBM) aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig kan worden opgelegd wanneer de overtreding is begaan door een bestuurder die bij ontdekking onbekend is gebleven. De zaak betrof een overtreding van artikel 62 RVV Pro 1990, waarbij een onbekende bestuurder op 19 november 2013 op de A79 te Valkenburg met een snelheid van circa 181 km/u reed terwijl het maximum 120 km/u was.
Het hof had de eigenaar, die tevens verdachte was, veroordeeld en onder meer ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee maanden opgelegd. De verdachte stelde in cassatie dat deze ontzegging niet zonder nadere motivering over de verwijtbaarheid van de eigenaar kon worden opgelegd. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de wetgeving het opleggen van de bijkomende straf aan de eigenaar toestaat zonder dat de verwijtbaarheid van die eigenaar nader hoeft te worden gemotiveerd.
Daarnaast werd een klacht over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gegrond verklaard, maar zonder rechtsgevolgen vanwege de geringe ernst van de opgelegde geldboete. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontzegging van de rijbevoegdheid aan de eigenaar zonder nadere motivering over verwijtbaarheid.