Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
23 mei 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de ISD-maatregel werd opgelegd wegens stelselmatig plegen van misdrijven. De verdediging voerde aan dat de ISD-maatregel niet kon worden opgelegd omdat volgens de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers alleen onherroepelijke veroordelingen tellen voor het vorderen van deze maatregel, terwijl verdachte slechts zes onherroepelijke veroordelingen had.
Het hof oordeelde dat de Richtlijn niet vereist dat alle processen-verbaal onherroepelijk moeten zijn, maar dat alleen misdrijven die met een technisch sepot of vrijspraak zijn beëindigd, buiten beschouwing worden gelaten. Het hof stelde vast dat er meer dan tien processen-verbaal waren opgemaakt tegen verdachte, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, en dat daarmee voldaan was aan de voorwaarden voor de ISD-maatregel.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart dat de Richtlijn als 'recht' in de zin van art. 79 RO Pro moet worden beschouwd. De Hoge Raad wijst erop dat de ISD-maatregel alleen kan worden opgelegd op vordering van het Openbaar Ministerie en dat de Richtlijn bindend is voor het strafvorderingsbeleid. De redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot vermindering van de maatregel. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de oplegging van de ISD-maatregel aan verdachte wegens stelselmatig plegen van misdrijven volgens de Richtlijn en artikel 38m Sr.