Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
gezien het vonnis, op 23 december 2016 door de Meervoudige kamer in de arrondissementsrechtbank te Limburg rechtdoende in strafzaken, gewezen tegen
Het tweede middel
- Art. 38m, eerste lid, Sr:
(…)
Voor een dergelijke opvatting is ook geen steun te vinden in het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9885, NJ 2011/340. In die zaak werd het arrest van het Hof door de Hoge Raad vernietigd, omdat het Hof bij de beantwoording van de vraag of aan het toen geldende vereiste van ten minste één proces-verbaal in het zogenaamde peiljaar (het afgelopen kalenderjaar) was voldaan, een proces-verbaal mee had laten tellen waarin een feit was opgenomen waarvan de verdachte in een later stadium (voorafgaand aan de terechtzitting) was vrijgesproken. Dat het meetellen van een dergelijk misdrijffeit niet is toegestaan is - zoals hiervoor onder 4.5 al ter sprake kwam - in de huidige Richtlijn verankerd. In genoemde zaak was er géén ander proces-verbaal uit het zogenaamde peiljaar voorhanden, zodat niet was voldaan aan het vereiste van ten minste één proces-verbaal in het peiljaar. Dat het tenlastegelegde “peil-feit” zelf niet meetelde bij de berekening spreekt voor zich, nu dit feit immers de basis vormt voor de vaststelling welk jaar als peiljaar heeft te gelden. Dit arrest zegt dus niets over het al dan niet mogen mee tellen van gevoegde misdrijffeiten (waarvan niet is vrijgesproken).
Ook overigens bestaat geen goede grond voor de aan het middel ten grondslag liggende opvatting. Voeging (art. 259 juncto Pro art. 412 lid 4 Sv Pro) dient immers niet alleen de proceseconomie en de doeltreffendheid van het onderzoek ter terechtzitting, maar dient ook het belang van de verdachte, in die zin dat herhaalde strafvervolgingen tegen dezelfde verdachte (moeten) [7] worden voorkomen. Bovendien zou de aan het middel ten grondslag liggende opvatting meebrengen dat het Openbaar Ministerie, dat de vordering van de ISD-maatregel overweegt, zichzelf in de vingers zou snijden door misdrijffeiten, gelegen binnen twaalf maanden vanaf de pleegdatum van het tenlastegelegde peilfeit, gevoegd aan te brengen, dan wel - zoals in het onderhavige geval – het de dupe zou zijn is van een beslissing van de rechter om niet gevoegd aangebrachte misdrijffeiten in het belang van het onderzoek alsnog te voegen. Het kan niet de bedoeling zijn dat voeging de oplegging van een ISD-maatregel frustreert. Tot slot verhoudt de in het middel gehuldigde opvatting zich niet met de reeds genoemde omstandigheid dat de strekking van het vereiste van ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, teruggerekend vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit, is gelegen in de frequentie, hardnekkigheid en intensiteit van het criminele gedrag.