Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die samen met anderen op 2 september 2015 te Schoonrewoerd heeft geprobeerd in te breken in een woning door twee ramen te forceren, wat niet voltooid werd, en daarbij tevens ramen vernielde. Het hof kwalificeerde dit als meerdaadse samenloop van poging tot diefstal door braak en medeplegen van vernieling.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof onjuist art. 57 Sr Pro had toegepast in plaats van art. 55, eerste lid, Sr, waarmee eendaadse samenloop zou gelden. De Hoge Raad herhaalde de relevante overwegingen uit eerdere rechtspraak over eendaadse samenloop en voortgezette handeling, waarbij het vooral aankomt op of de gedragingen een samenhangend feitencomplex vormen en of de strafbepalingen in strekking niet wezenlijk uiteenlopen.
De Hoge Raad oordeelde dat de vernielingshandelingen en poging tot braak een feitencomplex vormen dat zich op dezelfde tijd en plaats afspeelt en dat de strafbepalingen niet dusdanig verschillen dat niet van één verwijt kan worden gesproken. Het hof had het oordeel niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd, maar vernietiging was niet nodig omdat de opgelegde straf van vijf maanden, waarvan twee voorwaardelijk, ruim onder het maximum ligt dat bij eendaadse samenloop geldt.
De Hoge Raad concludeerde dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij cassatie en verwierp het beroep. Hiermee bevestigde de Hoge Raad de ruime beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij de strafoplegging en de toepassing van samenloopregels.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde straf van vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, wordt bekrachtigd.