ECLI:NL:HR:2018:1078

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2018
Publicatiedatum
3 juli 2018
Zaaknummer
15/03877
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 344a lid 3 SvArt. 360 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie tegen ontnemingsvordering uit hennepteelt

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 juni 2015, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt werd toegewezen.

De verdachte klaagde onder meer dat het hof in strijd met wettelijke bepalingen een schatting had gemaakt mede op basis van anonieme verklaringen uit MMA-meldingen. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel niet tot cassatie kon leiden en dat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte.

Daarnaast werd geconstateerd dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden en het arrest meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep werd gewezen. Hoewel de overschrijding gegrond werd verklaard, leidde dit niet tot een rechtsgevolg in deze zaak. Compensatie voor de termijnoverschrijding zal worden toegepast in de hoofdzaak die samenhangt met deze ontnemingszaak.

De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 3 juli 2018.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

3 juli 2018
Strafkamer
nr. S 15/03877 P
JH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 juni 2015, nummer 20/000068-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.J.L.M. Dacier, advocaat te Heerlen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak, welke in cassatie aanhangig is onder nr. 15/03876, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. De compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden, zal worden toegepast in de hoofdzaak.
3.3.
Gelet hierop is er geen aanleiding om in de onderhavige zaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 juli 2018.