Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
30 januari 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor verkrachting en ontuchtige handelingen door zijn positie als stiefvader. In cassatie stelde hij onder meer dat het recht op een eerlijk proces was geschonden doordat inbeslaggenomen kledingstukken waren vernietigd en voerde hij een betrouwbaarheidsverweer tegen de verklaring van de aangeefster.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel over de vernietigde kledingstukken en het betrouwbaarheidsverweer niet tot cassatie kon leiden en dat deze geen nadere motivering behoefden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Hierdoor werd de opgelegde gevangenisstraf van twintig maanden verminderd tot negentien maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en bevestigde het oordeel voor het overige.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en is gepubliceerd op 30 januari 2018.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd van twintig naar negentien maanden wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.