“Feiten 1 en 2
Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie
Allereerst wordt echter een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ten aanzien van de feiten 1 en 2, nu er naar het oordeel van de verdediging sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Ter terechtzitting van 11 juni 2015 heeft uw Hof opdracht gegeven tot het doen verrichten van forensisch (DNA-)onderzoek aan stukken van overtuiging, te weten aan onder aangeefster inbeslaggenomen kledingstukken (een BH, een legging en een hemdje) van aangeefster [betrokkene 1] . Ter gelegenheid van haar aangifte van 8 juli 2010 (te 04.30 uur) overhandigt [betrokkene 1] aan de politie een tas met daarin de door haar die dag o.a. op de 'plaats delict' gedragen kleding en ten behoeve van nader onderzoek.
Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2015 blijkt dat het door uw Hof bevolen onderzoek niet meer mogelijk is, nu voornoemde kledingstukken, let wel: stukken van overtuiging (!), alle zijn vernietigd.
Een alleszins onbevredigende toelichting over het hoe en waarom is - desgevraagd door de verdediging - gevolgd bij wijze van een nagekomen proces-verbaal van bevindingen omtrent vernietiging beslag (d.d. 4 mei 2016). Hieruit is af te leiden dat op 27 september 2011 door het Openbaar Ministerie (!) de beslissing is genomen tot vernietiging van de inbeslaggenomen goederen, zijnde de eerder genoemde stukken van overtuiging. Op 4 oktober 2011 is tot de daadwerkelijk vernietiging van de kleding overgaan. Helaas (?) kon men niet meer achterhalen welke medewerker van het Openbaar Ministerie de beslissing tot vernietiging heeft genomen, nu de zaak in het registratiesysteem van het Ketenbeslaghuis is opgeschoond. Je zou zeggen dat er uit het onderzoeksjournaal van de politie enige (nadere) reconstructie van deze onbegrijpelijke gang van zaken mogelijk zou moeten zijn, maar de politie heeft kennelijk enkel gekeken in het BPS-systeem.
Ik zal u het maar meteen zeggen: de verdediging gelooft er niets van dat de procedure rond de vernietiging van stukken van overtuiging en de 'identificatie' van de (direct) betrokkenen daarbij, mede of juist tegen de achtergrond dat het hier ook nog eens een zedenzaak betreft met een ontkennende verdachte, thans niet meer te reconstrueren c.q. te identificeren zou(den) zijn.
Vast staat in ieder nu al wel dat onder verantwoordelijkheid en in opdracht van het Openbaar Ministerie zelfs voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van deze zaak in eerste aanleg er zeer belangrijke stukken van overtuiging rücksichtslos vernietigd.
De Hoge Raad heeft eerder, in een vergelijkbare casuspositie, het volgende overwogen:
"Voorop dient te worden gesteld dat onrechtmatig optreden van opsporingsambtenaren onder omstandigheden een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde kan opleveren dat zulks - ook in een geval waarin overigens voldoende op rechtmatige wijze verkregen bewijsmateriaal voorhanden is - tot niet-ontvankelijkheid van het OM dient te leiden." [1]
Er dient dan sprake te zijn van ernstige inbreuken op die beginselen, waardoor doelbewust óf met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Dit zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld, aldus de Hoge Raad.
Voorts overwoog de Hoge Raad:
"Door te overwegen als hiervoor (...) is weergegeven heeft het Hof vooreerst - terecht - tot uitdrukking gebracht dat de omstandigheid dat de veiliggestelde sporen in het ongerede zijn geraakt, een inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert.’’[2]
Voornoemde vernietigde goederen/stukken van overtuiging (!) waren ontegenzeggelijk van belang in deze zaak. Sporendragers die een verhaal kunnen vertellen. Dit klemt temeer nu de ’verhalen' in deze zaak lijnrecht tegenover staan en (daarmee) onverenigbaar met elkaar zijn. De verdediging heeft een eminent belang bij het forensische (DNA-)onderzoek aan die sporendragers, nu cliënt hiermee — hoe wrang dat ook in een strafprocedure moge zijn — zijn onschuld wil aantonen. Die mogelijkheid bestaat nu niet meer, is hem ontnomen.
Door de vernietiging van de kleding is onherstelbare schade aangericht. Een en ander is niet toe te rekenen aan cliënt. De verdediging van cliënt is door deze handelwijze op een onoverbrugbare achterstand gezet. Incompensabel.
Met in ieder geval grove veronachtzaming van de belangen van cliënt is tekortgedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.
Juist in zaken als de onderhavige, waarbij (ook hier) sprake is van het ene woord tegen dat van de andere, dienen inbeslaggenomen voorwerpen, in het bijzonder daar waar het (tevens) sporendragers betreffen (‘de stille getuigen’) zorgvuldig te worden bewaard. Daaruit voortvloeiende ontlastende informatie kan precies het verschil maken tussen een veroordeling en een vrijspraak.
Gelet op de gang van zaken rond de vernietiging van de inbeslaggenomen kleding, mede bezien in het licht van het gegeven dat de inbeslaggenomen goederen/stukken van overtuiging reeds voorafgaand aan de behandeling in eerste aanleg zijn vernietigd, komt de verdediging dan ook tot de conclusie dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde. Waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van cliënt aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
Onder deze omstandigheden wordt verzocht het Openbaar Ministerie, ten aanzien van de feiten 1 en 2, niet langer ontvankelijk te verklaren in de ingestelde vervolging.