Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die na een vechtscheiding posters en pamfletten verspreidde waarin zijn ex-partner werd beschuldigd van het ontvoeren van hun drie minderjarige kinderen. De kinderen waren aan de moeder toegewezen en de omgangsverzoeken van de vader waren afgewezen. De posters bevatten teksten dat de kinderen vermist waren en dat de moeder met onbekende bestemming was vertrokken.
Het hof stelde vast dat verdachte wist dat de beweringen over vermissing en het niet meer vernemen van de kinderen in strijd waren met de waarheid, ook al strookte dit niet met zijn subjectieve beleving. Het hof kwalificeerde het bewezenverklaarde als laster en verwierp het beroep van verdachte op noodzakelijke verdediging en het algemeen belang.
De verdediging voerde aan dat de moeder de kinderen zonder gezag had meegenomen en dat verdachte geen andere mogelijkheid zag dan via de pamfletten zijn kinderen te informeren over het onrecht. Ook stelde hij dat de Raad voor de Kinderbescherming en politie onvoldoende hadden opgetreden tegen de moeder. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onjuist had geoordeeld en het cassatieberoep verwierp.
De zaak illustreert de complexiteit van juridische strijd rond gezag en omgang na scheiding, waarbij communicatie en belangen van kinderen zwaar wegen. Het arrest bevestigt dat het verspreiden van onware beschuldigingen, ook in emotioneel beladen situaties, strafbaar kan zijn als laster.
De Hoge Raad benadrukte dat het feit dat verdachte de rechterlijke uitspraken niet kon accepteren, geen rechtvaardiging vormt voor lasterlijke uitingen die de eer en goede naam van de ex-partner aantasten.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling voor laster wegens verspreiding van posters met onware beschuldigingen.