Conclusie
.
als verklaring van [betrokkene 1], aangeefster,
2.
als verklaring van [verdachte], verdachte:
‘Opmerking: Het hof acht niet bewezen dat verdachte het bewezen verklaarde tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan. Verdachte heeft bij de verspreiding van de pamfletten weliswaar praktische hulp gehad van een ander, doch niet kan worden gezegd dat er ten aanzien van de bewezen verklaarde laster sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Het hof heeft per abuis verzuimd dat deel van de tenlastelegging uit de bewezenverklaring te verwijderen.’
Overwegingen omtrent het bewijs voor het primair ten laste gelegde
eerstemiddel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het beroep dat door de verdediging is gedaan op de bijzondere strafuitsluitingsgrond van artikel 261, derde lid, Sr. Ter onderbouwing wordt aangevoerd dat laster een bijzondere vorm van smaad is en dat daarom mag worden aangenomen dat ook een verdachte die ter zake van laster terecht moet staan, de mogelijkheid heeft zich op deze bijzondere rechtvaardigingsgrond te beroepen.
tweedemiddel klaagt dat ’s hofs oordeel dat de verdachte opzettelijk de eer en goede naam van [betrokkene 1] heeft aangerand blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. De steller memoreert dat de raadsvrouw er op heeft gewezen dat de verdachte niet wist dat zijn handelen strafbaar was. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte eerder is vrijgesproken van belaging, bestaande in -zo begrijp ik- het verspreiden van exact dezelfde posters. De verdachte zou door die vrijspraak menen dat zijn gedrag niet strafbaar was.
derdemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte wist dat de tekst van de poster en het pamflet die door hem gemaakt en verspreid zijn in strijd met de waarheid was, onbegrijpelijk is. Tegen ’s hofs overweging dat de bewering dat de kinderen ‘sindsdien zouden zijn vermist en er niets meer van hen is vernomen’ in strijd met de waarheid is, wordt ingebracht dat er geen objectieve waarheid bestaat, dat er altijd een interpretatie bij komt kijken en dat de verdachte de feiten op een bepaalde manier heeft geïnterpreteerd en weergegeven in een poster/pamflet. Voor hem, zo stelt het middel, ‘zijn de kinderen vermist. Hij kan ze niet bereiken’. De inhoud van de posters/pamfletten zou zo beschouwd niet in strijd met de waarheid zijn. En ’s hofs oordeel dat de verdachte wist dat ‘een vermissing van de kinderen [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in verband wordt gebracht met handelingen van [betrokkene 1]’ in strijd met de waarheid was, zou in dat licht onbegrijpelijk zijn.
vierdemiddel klaagt dat het hof heeft nagelaten te responderen op het verweer waarin een beroep werd gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Het middel doelt daarbij op de laatste alinea’s uit de pleitnotities van de raadsvrouw in hoger beroep die in het voorgaande (randnummer 21) zijn geciteerd, beginnend met ‘Maar er was nog een reden.’