Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 januari 2017, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was toegewezen. Het middel richtte zich tegen de vaststelling door het hof dat de betrokkene voordeel had genoten uit de bewezen verklaarde feiten, terwijl volgens het middel ook voordeel uit een eerdere periode was betrokken.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest bevestigt dat de betrokkene voordeel heeft genoten uit soortgelijke feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan, en dat dit voordeel ontnomen kan worden op grond van artikel 36e Sr. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en werd op 10 juli 2018 uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.