Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
13 juli 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoeker verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag waarin het verzoek tot schuldsaneringsregeling werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van een verklaring omtrent de mogelijkheid van een buitengerechtelijke schuldregeling, zoals vereist op grond van artikel 285 lid 1 van Pro de Faillissementswet.
Verzoeker klaagde onder meer over een schending van het recht op hoor en wederhoor, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering was geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de eerdere beslissingen van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag. Het arrest van het hof werd aan het arrest gehecht en maakte integraal onderdeel uit van de beoordeling.
De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Van Buchem-Spapens (voorzitter), Polak en Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door Tanja-van den Broek op 13 juli 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot schuldsaneringsregeling wegens ontbreken van de vereiste verklaring.