Conclusie
2.Bespreking van het cassatieberoep
eerste klachtis gericht tegen het oordeel in rov. 4.3 dat de rechtbank, gelet op de discretionaire bevoegdheid van de r-c, dient te toetsen of de r-c in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. In de toelichting wordt betoogd dat de rechtbank de beslissing in volle omvang diende te beoordelen. De terughoudende toets zou alleen gelden indien de r-c als toezichthouder optreedt en niet als rechter/geschilbeslechter. Een andere opvatting zou de herkansingsfunctie van het hoger beroep miskennen.
[…] c.s./mr. Franken q.q. c.s. [13] onze aandacht. In die zaak ging het om de taak van de rechter in een hoger beroep op basis van art. 67 lid 1 Fw Pro (de pendant van art. 315 lid 1 Fw Pro voor faillissementen). Uw Raad oordeelde in die zaak dat het de rechter in hoger beroep vrij staat om rekening te houden met de ruime bevoegdheid van de r-c waar het gaat om een onderdeel van het toezicht door de r-c als bedoeld in art. 64 Fw Pro [14] . Ik meen dat deze regel van (overeenkomstige) toepassing is in een hoger beroep tegen een beslissing op de voet van art. 349a lid 2 Fw. Ook bij een beslissing uit hoofde van art. 349a lid 2 Fw gaat het om een ruime (discretionaire) bevoegdheid en kent de zaak geen contradictoir karakter. In onze zaak heeft de rechtbank naar mijn mening in rov. 4.3 tot uitdrukking gebracht dat zij bij haar beslissing rekening houdt met de ruime bevoegdheid van de r-c. Uit rov. 4.5 blijkt verder dat de rechtbank zelfstandig heeft beoordeeld of de r-c voldoende reden had om het verzoek tot termijnverkorting op grond van art. 349a lid 2 Fw af te wijzen. Van miskenning van de herkansingsfunctie van het hoger beroep is dus geen sprake.
tweede klachtbetoogt dat de rechtbank ten onrechte, in strijd met art. 24 Rv Pro, niet de stelling van [verzoekster] heeft besproken dat de verkorting van de looptijd kan worden gebaseerd op art. 1.7 sub b van de Recofa-richtlijnen (thans art. 1.2 sub b, eerste volzin, van de op 1 januari 2018 geldende versie). De klacht bevat drie onderdelen.
derde klachtbetoogt dat de rechtbank de r-c ten onrechte gelegenheid zou hebben geboden om zijn zienswijze omtrent het hoger beroep van [verzoekster] te geven. Daartoe wordt erop gewezen dat de r-c al in eerste aanleg over de zaak heeft beslist (toelichting onder 3.2-3.3). [verzoekster] stelt ter onderbouwing van de klacht dat het een rechter niet is toegestaan om zijn beslissing uit te leggen. In dat kader refereert zij aan drie uitspraken van Uw Raad van 6 maart 2013 [30] (toelichting onder 3.4-3.7).
derde klachtis dus vergeefs voorgesteld.