De zaak betreft een geschil tussen de curator van een failliete vennootschap en de Provincie Fryslân over een vordering tot betaling van € 339.429,30 die door Friesland Bank ten laste van de Provincie aan Fortis Bank is voldaan. Na eerdere procedures en een arrest van de Hoge Raad in 2015 werd de zaak opnieuw behandeld door het hof, dat slechts een deel van de vordering toekende en een nieuw verweer van de curator niet toeliet.
De curator stelde in het geding na verwijzing dat een latere uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een gerelateerd geschil met een derde partij (de echtgenote van een voormalig bestuurder) de vordering van de Provincie had doen tenietgaan door verrekening. Het hof verwierp dit verweer als tardief, terwijl de Hoge Raad oordeelt dat dit nieuwe feit zich na de vernietigde uitspraak heeft voorgedaan en binnen de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie valt.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling, met de opdracht het nieuwe verweer mee te wegen. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Provincie in de kosten van het cassatiegeding.