Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 april 2017, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag werd behandeld. Het geschil betrof de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2012.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën en een conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de ingediende middelen concludeerde de Hoge Raad dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden. Volgens artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie behoefde dit geen nadere motivering, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad achtte geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest werd gewezen door vice-president G. de Groot als voorzitter, en raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.