In deze zaak stond centraal of belanghebbende, een scheepsbouwer, als douaneschuldenaar kon worden aangemerkt op grond van directe vertegenwoordiging door douane-expediteur [A]. [A] had namens belanghebbende aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van scheepscasco's. De douane ging ervan uit dat [A] rechtsgeldig als direct vertegenwoordiger optrad, mede op basis van een door [B] ondertekende machtiging.
De Inspecteur stelde dat de scheepscasco's verkeerd waren geclassificeerd en dat belanghebbende de verschuldigde douanerechten moest betalen. Het hof oordeelde dat belanghebbende als douaneschuldenaar kon worden beschouwd omdat tussen belanghebbende en [A] een wilsovereenstemming bestond en de machtiging voldoende was.
De Hoge Raad vernietigde dit oordeel omdat de machtiging niet rechtsgeldig was, aangezien [B] niet bevoegd was om namens belanghebbende te tekenen en de vereiste instemming of bekrachtiging van de andere bestuurder ontbrak. Ook was er geen toerekenbare schijn van volmachtverlening aan de douane, zodat [A] in eigen naam en voor eigen rekening had gehandeld.
De uitnodigingen tot betaling van douanerechten aan belanghebbende werden vernietigd. Daarnaast werden de proceskosten verdeeld, waarbij de Staatssecretaris en de Inspecteur werden veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en kosten van rechtsbijstand aan belanghebbende.