Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 februari 2018.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoekster verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, dat het verzoek tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) had afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op de constatering dat de schuldenaar niet te goeder trouw had gehandeld, zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 onder Pro b van de Faillissementswet.
Het geding in feitelijke instanties bestond uit een vonnis van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarbij laatstgenoemde het verzoek tot toelating tot de WSNP afwees. De Hoge Raad verwees naar deze eerdere uitspraken en nam kennis van de conclusie van de Advocaat-Generaal, die tot verwerping van het cassatieberoep strekte.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, aangezien de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen, waarbij tevens werd gewezen op de toepasselijkheid van de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 van Pro de Faillissementswet.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de WSNP wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw.