ECLI:NL:HR:2018:138

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2018
Publicatiedatum
1 februari 2018
Zaaknummer
17/04917
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 3 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toelatingsverzoek WSNP wegens gebrek aan goede trouw schuldenaar

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van verzoekster verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, dat het verzoek tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) had afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op de constatering dat de schuldenaar niet te goeder trouw had gehandeld, zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 onder Pro b van de Faillissementswet.

Het geding in feitelijke instanties bestond uit een vonnis van de rechtbank Amsterdam en een arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarbij laatstgenoemde het verzoek tot toelating tot de WSNP afwees. De Hoge Raad verwees naar deze eerdere uitspraken en nam kennis van de conclusie van de Advocaat-Generaal, die tot verwerping van het cassatieberoep strekte.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, aangezien de klachten geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen, waarbij tevens werd gewezen op de toepasselijkheid van de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 van Pro de Faillissementswet.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot toelating tot de WSNP wordt afgewezen wegens het ontbreken van goede trouw.

Uitspraak

2 februari 2018
Eerste Kamer
17/04917
TT/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/13/629739/FT RK 17/1154 van de rechtbank Amsterdam van 1 augustus 2017;
b. het arrest in de zaak 200.220.509/01 van het gerechtshof Amsterdam van 10 oktober 2017.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 14 december 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
2 februari 2018.