Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 september 2018.
Hoge Raad
Op 4 september 2018 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verdachte verworpen in een strafzaak over schuldheling van bankpassen en een e.dentifier. De zaak betrof de vraag of verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de goederen die hij in bezit had, afkomstig waren van een misdrijf.
Het cassatieberoep was ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 26 oktober 2016. Namens verdachte diende advocaat B. Kizilocak een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het arrest werd gewezen door vice-president J. de Hullu en raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering.
Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van lagere rechtspraak en sluit het cassatieproces af zonder inhoudelijke wijziging van de strafrechtelijke beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor schuldheling.