ECLI:NL:PHR:2018:545

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2018
Publicatiedatum
4 juni 2018
Zaaknummer
16/05332
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt schuldheling bankpassen op grond van tenaamstelling en gedragingen verdachte

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens schuldheling van meerdere bankpassen en een e.dentifier van de ABN-AMRO bank. Deze waren gestolen uit de woning van de rechthebbende tijdens diens vakantie. De verdachte werd betrapt toen hij de bankpassen en e.dentifier bij zich had en deze tijdens zijn vluchtpoging weggooide.

De verdediging stelde in cassatie dat het bewijs onvoldoende was om aan te nemen dat de e.dentifier een door misdrijf verkregen goed was en dat de verdachte niet redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de bankpassen van misdrijf afkomstig waren. De Hoge Raad oordeelde dat de bewezenverklaring op het punt van de e.dentifier kan worden verbeterd door deze buiten beschouwing te laten zonder afbreuk aan de ernst van het bewezenverklaarde.

De Hoge Raad bevestigde dat de tenaamstelling van de bankpassen en het gedrag van de verdachte, waaronder het wegrennen en weggooien van de passen, voldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat de verdachte schuldheling pleegde. De jurisprudentie benadrukt dat iemand die betaalpassen op naam van een ander bezit, moet beseffen dat deze waarschijnlijk gestolen zijn. De Hoge Raad adviseert het cassatieberoep te verwerpen en bevestigt daarmee de veroordeling van de verdachte.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor schuldheling van bankpassen wordt bevestigd.

Conclusie

Nr. 16/05332
Zitting: 5 juni 2018
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is, na terugwijzing door de Hoge Raad, [1] bij arrest van 26 oktober 2016 door het gerechtshof Den Haag wegens “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen, waarvan 21 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest.
2. Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld en mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelbevat twee bewijsklachten. De eerste richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling, terwijl uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de e.dentifier een door misdrijf verkregen goed betreft. Daarnaast wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de in de bewezenverklaring genoemde goederen, te weten bankpassen en een e.dentifier, door misdrijf zijn verkregen.
3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 26 juli 2012 te Rotterdam goederen, te weten meerdere bankpassen en een e.dentifier van de abn-amro bank, heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 5 november 2013 verklaard - zakelijk weergegeven - :
Ik heb bankpasjes in mijn bezit gehad.
2. Een proces-verbaal aangifte d.d. 28 juli 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17K0 2012420979-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10-12) :
als de op 28 juli 2012 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:
Ik ben bewoner en eigenaar van de woning, gelegen aan de [a-straat 1] te Spijkenisse. Ik woon daar met mijn vrouw [betrokkene 2], mijn dochter [betrokkene 3] en mijn zoon [betrokkene 4].
Op 20 juli 2012 ben ik met mijn gezin op vakantie gegaan. Op 26 juli 2012 bevond ik mij in Zuid-Frankrijk. Ik werd toen via mijn mobiele telefoon gebeld door een politieman uit Rotterdam. Deze man deelde mij mede dat er bankpasjes van de ABN/AMRO bank waren gevonden die ten name van mij en mijn gezin stonden. Ik wist dat deze pasjes in mijn kluis in de kast op de overloop op de eerste etage lagen. Ik besefte op dat moment dat er in mijn woning moest zijn ingebroken. Hetgeen ik vermeld heb wat is weggenomen is nog niet volledig.
3. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juli 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17J0 2012420893-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1]:
Ik, verbalisant [verbalisant 1], bevond mij op 26 juli 2012 op de Schammenkamp te Rotterdam. Ik werd gewenkt door een man. De man sprak mij omstreeks 14.58 uur aan en verklaarde:
"Ik zag uw collega zojuist de man achtervolgen die net werd weggevoerd. Ik zag dat hij wat weggooide onder een zwarte geparkeerde auto. Ik heb daarop mijn auto aldaar geparkeerd en zag dat er drie bankpasjes onder die auto lagen. Dit waren groenkleurige bankjes van de ABN-AMRO allen met de overeenkomstige naam [achternaam betrokkene 1], namelijk: [betrokkene 2] en [betrokkene 1]. Ik heb deze pasjes daar onder de auto vandaan gehaald. Hierbij overhandig ik u de bankpasjes".
4. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juli 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17J0 2012420893-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
als relaas van de opsporingsambtenaar [verbalisant 2]:
Op 26 juli 2012, omstreeks 14:10 uur, was ik in burgerkleding gekleed en belast met een onderzoek naar de verkoop van harddrugs, aan de Slinge, ter hoogte van het 'Larenkampgebouw, pandnummer 303, te Rotterdam.
Ik werd op 26 juli 2012, omstreeks 13:00 uur, aan politiebureau Slinge, aangesproken door politiecollega's van de Bovenregionale Recherche dat er aan de Slinge, ter hoogte van het 'Larenkampgebouw' vermoedelijk in harddrugs gedeald zou worden.
De politiecollega's verklaarden dat dat zou gebeuren door een man die aan het volgende signalement voldoet:
- Man,
- Lichtgetinte huidskleur,
- Vermoedelijk van Marokkaanse afkomst,
- Ongeveer 25 jaar oud,
- Droeg witte bovenkleding,
- Droeg een schoudertasje,
- Droeg lichtgekleurde 'Birkenstock' slippers.
Hierop heb ik een onderzoek ingesteld in de omgeving van het 'Larenkampgebouw'. Ik zag dat er een man op een bankje zat voor de ingang van het 'Larenkampgebouw'.
Ik zag dat deze man aan het volgende signalement voldeed:
- Man,
- Lichtgetinte huidskleur,
- Vermoedelijk van Marokkaanse afkomst,
- Ongeveer 25 jaar oud,
- Droeg witte bovenkleding,
- Droeg een zwart schoudertasje,
- Droeg witte sportschoenen.
Ik zag dat deze man na ongeveer één minuut op stond en over de Slinge in de richting van de Meyenhage te Rotterdam liep. Ik zag dat deze man vervolgens de belwinkel aan de Slinge 405 binnen liep. Hierna ben ik op een muurtje gaan zitten voor het 'Larenkampgebouw' direct naast de Hietkamp. Ik zag dat de man na ongeveer 5 minuten uit de belwinkel kwam en vervolgens de Hietkamp op liep.
Hierna zag ik dat de man vanaf de Hierkamp de Slinge op liep in de richting van de Langenhorst.
Ik zag dat de man vervolgens op een muurtje ging zitten recht voor de ingang van het 'Larenkampgebouw'.
Ik zag dat de man op een afstand van ongeveer twee meter ging zitten naast een man met een slonzig uiterlijk.
Na ongeveer tien minuten zag ik dat de man wederom op stond en liep in de richting van het belhuis aan de Slinge 403.
Vervolgens zag ik dat de man op een muurtje ging zitten voor het 'Larenkampgebouw' direct naast de Hietkamp.
Ik zag dat de man hier ongeveer een kwartier bleef zitten.
Vervolgens ben ik de Slinge op gelopen in de richting van de Langenhorst. Ik hoorde van andere politiecollega's, die in burger gekleed waren, dat er een herkenbare politieagent op een scooter, stopte voor de belwinkel aan de Slinge 405.
Ik hoorde dat de eerder genoemde man, vervolgens de Slinge over stak in de richting van de Luntershoek.
Ik hoorde dat de man, als bijrijder, in een grijze personenauto, van het merk en type Volkswagen Golf, stapte, aan de Slinge tegenover de belwinkel aan Slinge 405. Ik hoorde dat de personenauto het kenteken [AA-00-BB] had.
Ik hoorde dat het voertuig vervolgens weg reed over de Slinge in de richting van de Langenhorst. Vervolgens heb ik politiecollega's [verbalisant 3] en [verbalisant 1] ingelicht over het betreffende voertuig en persoon.
5. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 26 juli 2012 van de politie Rotterdam-Rijnmond met nr. PL17J0 2012420893-9. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
als relaas van de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 1]:
Op 26 juli 2012, omstreeks 14:35 uur, waren wij beiden in uniform gekleed en derhalve herkenbaar als politieambtenaar, dienstdoende aan het politiebureau aan de Slinge 162 te Rotterdam.
Wij hoorden van politiecollega [verbalisant 2] dat hij informatie had dat er aan de Slinge ter hoogte van de Larenkamp te Rotterdam, vermoedelijk, door een persoon in verdovende middelen werd gehandeld.
Wij hoorden van politiecollega [verbalisant 2] dat de bovengenoemde persoon bij een andere onbekende man in een zilvergrijze Volkswagen Polo voorzien van het kenteken [AA-00-BB] stapte.
Hierop zijn wij met de snorfiets de Slinge opgereden. Aldaar zagen wij dat het genoemde motorvoertuig over de rotonde, ter hoogte van de Langenhorst, rechtdoor reed en zijn weg over de Slinge in de richting van de Dordtsestraatweg vervolgde.
Vervolgens zag ik dat het motorvoertuig rechtsaf wilde gaan ter hoogte van de Pascalweg. Het motorvoertuig reed stapvoets. Ik ben met de snorfiets rechts naast het motorvoertuig gaan staan. De bijrijder had het volgende signalement: man, licht-getinte huidskleur, vermoedelijk van Marokkaanse afkomst, ongeveer 25 jaar oud, droeg witte bovenkleding shirt, droeg een zwart schoudertasje. Dit signalement kwam overeen met het signalement van de man dat kort hiervoor door de politie-collega [verbalisant 2] aan mij was doorgegeven.
Ik zag dat het raam aan zijn zijde, de passagierszijde, openstond. Ik heb de man zoals hierboven omschreven vervolgens aangesproken en naar zijn legitimatiebewijs gevraagd. Ik hoorde hem vervolgens het navolgende tegen mij zeggen: "Ik heb mijn spullen hierachter liggen".
Ik, verbalisant, zag dat deze persoon vervolgens de portier aan zijn zijde openmaakte, hierop heel snel uitstapte en vervolgens wegrende in de richting van de Guido Gezelleweg te Rotterdam.
Ik heb vervolgens de achtervolging met de snorfiets ingezet. Ik zag dat de man schuin over het grasveld rende in de richting van de Molenvliet. Ik zag dat de man vervolgens een plotselinge beweging naar rechts maakte in de richting van de bosschages aldaar. Ik zag dat de man een beweging met zijn armen maakte, een beweging die ik herken als men iets weggooit. Op een gegeven moment hebben wij de man medegedeeld dat hij was aangehouden.
Ik, verbalisant, zag nabij de plek alwaar de verdachte (het hof begrijpt: de hiervoor genoemde man) eerder een gooiende beweging maakte, zoals hierboven beschreven, een bankpasje liggen.
Ik zag daar vervolgens in de bosschages een zogenoemde 'e.dentifier' van de ABN-AMRO bank.
Ik zag dat het hierboven genoemde bankpasje op naam staat van: [betrokkene 1] (het hof begrijpt [betrokkene 1]).
De verdachte bleek te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1987.”
3.3. Het bestreden arrest houdt daarnaast, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte (ook) van het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu er een mogelijk alternatief scenario bestaat, waarin de eigenaar de bankpassen en de e.dentifier heeft verloren en dat deze door de verdachte zijn gevonden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof is naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat dit alternatieve scenario zeer onaannemelijk is. Dat een rechthebbende zowel de bankpasjes als een e.dentifier samen bij zich draagt en deze voorwerpen alle tegelijk verliest is hoogst onwaarschijnlijk. Ook het gedrag van de verdachte voorafgaand aan zijn aanhouding, het wegrennen en weggooien van de pasjes en de e.dentifier, is met dit scenario niet te rijmen. De verdachte heeft voormelde goederen op enig moment verkregen en niet van de rechthebbende. Op grond van de tenaamstelling van de pasjes had de verdachte moeten vermoeden dat er sprake was van goederen die van misdrijf afkomstig waren.
Het hof verwerpt het verweer.”
3.4. De eerste klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring genoemde e.dentifier [2] een door misdrijf verkregen goed betreft. Ik meen dat deze klacht terecht is voorgesteld. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden niets in omtrent de criminele herkomst van de e.dentifier. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden, aangezien de Hoge Raad de bewezenverklaring op dit punt verbeterd kan lezen met weglating van de e.dentifier, zonder afbreuk te doen aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde. Deze klacht is dan ook tevergeefs voorgesteld.
3.5. De tweede klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de in de bewezenverklaring genoemde bankpassen, ik laat de e.dentifier hier buiten beschouwing, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
3.6. Wil er sprake zijn van schuldheling in de zin van art. 417bis lid 1 onder a Sr, dan moet er bewijs zijn dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van het goed “redelijkerwijs had moeten vermoeden” dat het betreffende goed door misdrijf is verkregen. [3] De vraag die in onderhavige zaak speelt is of de tenaamstelling van de bankpassen hiervoor voldoende aanknopingspunten biedt.
3.7. In de meeste jurisprudentie over schuldheling is er iets meer bekend over de omstandigheden waaronder de verdachte de beschikking heeft gekregen over het van misdrijf afkomstige goed, bijvoorbeeld door middel van aankoop. In dat soort gevallen bieden de zogenaamde vergewisplicht of onderzoeksplicht nadere handvatten. [4] Als de verdachte bij een aankoop niet heeft dóórgevraagd dan kan dat worden aangemerkt als zodanig onvoorzichtig dat daarmee het redelijke vermoeden dat het goed door misdrijf is verkregen, kan worden aangenomen. [5] De omstandigheden die tot een nader onderzoek verplichten moeten dan wel uit de bewijsvoering blijken [6] en uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat die aanmerkelijke onvoorzichtigheid niet snel wordt aangenomen. [7] De rechtspraak is casuïstisch en de scheidslijn tussen situaties waarin de verdachte wel of geen schuldverwijt te maken valt, is niet altijd even helder te trekken. Het gaat erom of aangenomen kan worden dat ieder weldenkend mens argwaan zou moeten krijgen.
3.8. In de onderhavige zaak houden de bewijsmiddelen niet meer in dan dat de verdachte in beeld is gekomen bij een onderzoek naar de verkoop van harddrugs in Rotterdam (bewijsmiddel 4) en toen hij door een verbalisant naar zijn legitimatiebewijs werd gevraagd, hij het op een lopen zette waarbij hij vier bankpassen en een e.dentifier weggooide (bewijsmiddel 3 en 5). Deze bankpassen waren op naam van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] gesteld en eerder buitgemaakt bij een inbraak in hun woning (bewijsmiddel 2).
3.9. Het hof heeft de tenaamstelling van de passen aangemerkt als de omstandigheid die de verdachte, toen hij deze passen op enig moment verkreeg, had moeten doen vermoeden dat sprake was van goederen die van misdrijf afkomstig waren. Is dat voldoende voor het aannemen van schuldheling? Voor de beantwoording van die vraag zoek ik aansluiting bij drie arresten die ook betrekking hebben op (schuld)heling van bankpassen.
3.10. Allereerst het arrest HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5702,
NJ2003/460. De verdachte had een creditcard en een bankpas aangetroffen in een kastje van een laptop die hij op de markt had gekocht. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de passen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof, in stand. Het oordeel van het hof was gestoeld op de ongebruikelijke plaats waar de passen waren aangetroffen in een laptop en dat het algemeen bekend is dat deze bankpassen veelvuldig voorwerp van diefstal zijn. Door na het aantreffen van de passen niet direct een nader onderzoek in te stellen naar de herkomst daarvan, was de verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in zijn onder de gegeven omstandigheden geldende onderzoeksplicht. Hierdoor had de verdachte met de door schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid gehandeld. Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
3.11. Daarnaast wijs ik op twee zaken waarin het ging om
opzetheling van bankpassen. Anders dan bij schuldheling, is daarvoor niet voldoende dat de verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen
redelijkerwijs had moeten vermoedendat het een door misdrijf verkregen goed betrof, maar of de verdachte dit
wist. De drempel ligt dus hoger. [8]
In de zaak die leidde tot HR 16 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8447 had de verdachte met een kort daarvoor ontvreemde creditcard geprobeerd af te rekenen. Deze kaart bood geen autorisatie voor de betaling en de verdachte had direct voorafgaand of bij haar aanhouding geprobeerd zich van de creditcard te ontdoen door deze ‘achteloos’ te laten vallen. Op basis van deze feiten en omstandigheden had het hof (kennelijk) aangenomen dat “de gedragingen van de verdachte, gezien haar reactie bij haar aanhouding die tot doel had te voorkomen dat zij in het bezit van de creditcard zou worden aangetroffen, voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat de verdachte bij het doen van haar aankoop in de wetenschap verkeerde te beschikken over een creditcard, die haar niet toebehoorde en die door misdrijf was verkregen en dat zulks ook het geval was ten tijde van het kort daarvoren voorhanden krijgen van die creditcard.” Dat oordeel was volgens de Hoge Raad niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk.
In het arrest HR 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9338 gaat het om een veroordeling door het hof voor
opzetheling van verschillende bankpassen. Deze passen waren aangetroffen in een afgesloten kast op de slaapkamer van de verdachte. Mijn ambtgenoot Vegter wees er in zijn voorafgaande conclusie op dat de wetenschap van de verdachte ten tijde van het verkrijgen van de passen in de bewijsvoering niet in het oog springt, maar dat degene die betaalpassen vindt in de regel beseft dat er een grote kans bestaat dat deze van diefstal afkomstig zijn. Hoewel de mogelijkheid bestaat dat de passen zijn verloren door de eigenaar, acht hij het een feit van algemene bekendheid dat de kans groot is dat een betaalpas in handen van een ander dan de rekeninghouder een gestolen pas betreft. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand en wees daarbij in het bijzonder op een getapt telefoongesprek van de verdachte dat licht deed schijnen op de wetenschap van de verdachte ten tijde van de verkrijging.
3.12. Ik heb geaarzeld over de toereikendheid van de bewezenverklaring in onderhavige zaak. Het pijnpunt zit er vooral in dat het hof niets heeft vastgesteld (of kunnen vaststellen) over de omstandigheden waaronder de verdachte de passen heeft verkregen. Desalniettemin meen ik dat de bewijsvoering voldoende inhoudt om te concluderen dat de verdachte (ook)
ten tijde van het voorhanden krijgenvan de bankpassen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze passen van misdrijf afkomstig waren. Ik ben het met mijn ambtgenoot Vegter in zijn hiervoor aangehaalde conclusie eens, dat iemand die betaalpassen in handen krijgt die op naam van iemand anders zijn gesteld, op dat moment moet beseffen dat de kans groot is dat die passen zijn gestolen. Uitgesloten kan worden dat de verdachte de passen heeft gevonden nadat de eigenaar deze heeft verloren, nu het hof heeft vastgesteld dat deze passen tijdens diens vakantie in de week voorafgaand aan de dag dat de verdachte de bankpassen in bezit had, uit zijn woning zijn ontvreemd. Weliswaar levert de omstandigheid dat de verdachte de passen tijdens zijn vlucht heeft weggegooid nog geen bewijs op dat hij ten tijde van de verkrijging van die passen de criminele herkomst ervan moest vermoeden, maar zonder betekenis is dit ook niet helemaal: kennelijk was de verdachte zich in ieder geval toen bewust van de criminele herkomst van de passen. [9] Ik meen dan ook dat het hof er vanuit mocht gaan dat de verdachte vanwege de tenaamstelling van de passen op het moment van verkrijging had moeten vermoeden dat er sprake was van goederen die van misdrijf afkomstig waren en zich dus schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.
4. Het middel faalt.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:928. Het arrest van het hof werd vernietigd vanwege het ontbreken van de pleitnota bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken.
2.Een e.dentifier is een (niet persoonsgebonden) paslezer van de ABN AMRO die toegang geeft tot internetbankieren.
3.Zie ook mijn conclusie voorafgaand aan HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611.
4.Dat is al zo sinds HR 11 juli 1944, NJ 1945/580.
5.Uit HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146, NJ 1986/428 (aankoop caravan zonder geldige papieren van zigeuners), blijkt dat het moet gaan om grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
6.Zie HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:611 (elektrische fiets); HR 24 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8631 (geld van de IJsbaanvereniging); HR 13 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5702,
7.HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3191 (kopen telefoon via Marktplaats); HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3263 (aanschaffen van een motorboot via Marktplaats); HR 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:647 (rijden op een bromfiets zonder contactslot op een schoolplein) en HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4317 (MP3-speler). Zie ook J.W. Fokkens, aant. 1 bij art. 417bis Sr, Noyon/Langemeijer/Remmelink, Strafrecht, bijgewerkt tot 1 oktober 2017.
8.Voorwaardelijk opzet is daarbij voldoende. Zie HR 19 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1812,
9.Vgl. in de context van opzetheling de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter, onder 10 voorafgaand aan HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:2116 (niet gepubl.) en zie ook het hiervoor aangehaalde arrest HR 16 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8447, waarvoor ongeveer gelijksoortige omstandigheden voldoende waren voor het aannemen van