Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
4 september 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van een opgeëiste persoon met Venezolaanse nationaliteit, die uitlevering van Curaçao naar de Verenigde Staten wordt gevraagd wegens deelname aan een criminele organisatie en voorbereidingshandelingen met betrekking tot invoer van 10 kilo cocaïne.
De opgeëiste persoon voert aan dat sprake is van entrapment (uitlokking) door Amerikaanse opsporingsambtenaren, wat een voltooide en onherstelbare schending van artikel 6 EVRM Pro inhoudt. Hij stelt dat de Amerikaanse strafrechter deze schending niet adequaat zal beoordelen en dat hem na uitlevering geen effectief rechtsmiddel ter beschikking staat.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie over bevoegdheidstoedeling aan de uitleveringsrechter en Gouverneur bij beroep op dreigende of voltooide schending van fundamentele rechten. Het hof had geoordeeld dat het beroep op entrapment onvoldoende aannemelijk was gemaakt en dat het verweer over de flagrante schending van art. 6 EVRM Pro niet ter beoordeling van het hof stond. Ook was geen sprake van een dreigende flagrante inbreuk.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het oordeel begrijpelijk en toereikend gemotiveerd is. Het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; uitlevering is niet ontoelaatbaar wegens entrapment of schending van artikel 6 EVRM.