Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
23 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Verdachte werd veroordeeld voor poging tot moord en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op Bonaire.
De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte middelen, waaronder klachten over voorbedachte raad, opzet, en kwalificatie van de feiten onder de Vuurwapenwet BES, maar verwierp deze omdat zij geen rechtsvragen opriepen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Ambtshalve stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren naar vijf jaren en zes maanden.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden vonnis uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd het vonnis in stand gelaten behalve de strafduur die werd verminderd.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zes jaren naar vijf jaren en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.